Netherlands
Talen

Talen

Uitspraak rechtbank Zeeland-West-Brabant over bezitseis BOR

In een recent gepubliceerde uitspraak volgt Rechtbank Zeeland-West-Brabant de strikte omschrijving van de bezitseis in de bedrijfsopvolgingsregeling (‘BOR’) in de Successiewet. 

Om te kwalificeren voor de BOR dient een onderneming, of een zelfstandig gedeelte daarvan, op het moment van schenking vijf jaar in bezit van de schenker te zijn. Bij overlijden is deze termijn één jaar. Deze bezitseis moet voorkomen dat vermogen in het zicht van overlijden of schenking, wordt omgezet in ‘onbelast’ te vererven of te schenken ondernemingsvermogen; alleen ‘reële’ bedrijfsopvolgingen worden gefaciliteerd.

Case

Deze casus betrof de schenking van aandelen in een vennootschap, die aandelen houdt in verscheidene dochtervennootschappen. Deze dochtervennootschappen dreven o.a. een assurantiekantoor, een makelaardij, een administratiekantoor en een advieskantoor in diverse persoonlijke financiële producten (hypotheken, verzekeringen e.a.). In dit verband participeerden enkele dochtervennootschappen in VOF’s, waarvan overigens de begiftigde medeparticipant was. Dat de houdstervennootschap met haar deelnemingen, inclusief participaties in de VOF’s een onderneming dreef zoals bedoeld in de BOR, stond niet ter discussie. Ook was duidelijk dat alle dochtervennootschappen zelf ook materiële ondernemingen dreven. In twee van deze VOF’s participeerde de vennootschap echter minder dan vijf jaar. De inspecteur weigerde daarom toepassing van de BOR voor deze indirecte belangen.

Uitspraak

De rechtbank sluit zich aan bij deze weigering. Voor elke objectieve onderneming, of gedeelte daarvan, dient de bezitseis afzonderlijk te worden getoetst.  Ook als de activiteiten van de indirecte belangen in elkaars verlengde liggen en tezamen één objectieve onderneming vormen. De crux zit in de formulering van de bezitseis: deze verwijst naar ‘een onderneming als bedoeld in artikel 3.2 van de Wet Inkomstenbelasting 2001, of een gedeelte daarvan’. Met een beroep op doel en strekking van de regeling concludeert de rechtbank, dat de bezitseis (ook) moet worden getoetst op het niveau van de participaties in de VOF’s. Nu minder dan vijf jaren werd deelgenomen, kan daarop de BOR niet van toepassing zijn. De rechtbank merkt daarbij op dat deze visie geheel in lijn is met de bedoeling van de wetgever en verwijst hiervoor naar de beantwoording van Kamervragen uit 2016. Deze uitlatingen heeft de staatssecretaris echter gedaan als uitvoerder. In de parlementaire geschiedenis die is voorafgegaan aan de invoering van deze bezitseis, is deze specifieke vraag niet aan de orde gekomen.  

Deze uitspraak onderstreept de impact van het bezits-vereiste.  Alvorens men overgaat tot het schenken van een onderneming, dient goed in kaart te worden gebracht of zelfstandige delen van een onderneming kunnen worden onderscheiden. Indien deze zelfstandige delen onvoldoende lang onderdeel uitmaken van de onderneming, komen deze dus (nog) niet in aanmerking voor de BOR. 

cover_20190325_uitspraak_rechtbank_zl-wb_over_bezitseis_bor.jpg

Download: 'Uitspraak rechtbank Zeeland-West-Brabant over bezitseis BOR' in pdf