De toepassing van de Moeder-Dochterrichtlijn (MDR) blijft een belangrijk aandachtspunt in structuren met (tussen)houdstermaatschappijen binnen de EU. Met name bij holdingvennootschappen met beperkte eigen activiteiten rijst de vraag of aanspraak bestaat op vrijstelling van dividendbelasting of toepassing van de deelnemingsvrijstelling. In een recente conclusie in de NEO- groep zaak bij het Europese Hof van Justitie heeft de Advocaat-Generaal de contouren verder verduidelijkt.

Arresten van het Hof van Justitie, de Hoge Raad en een recente conclusie van A-G Kokott laten zien waar de lat voor het aannemen van misbruik wordt gelegd. Daarbij verschuift de focus steeds meer naar de economische realiteit van de holdingstructuur en het onderliggende doel van de betrokken transacties, ook wanneer op het eerste gezicht sprake is van reguliere (en deels reële) ondernemingsactiviteiten.

De vraag of een dividenduitkering voor vennootschappen binnen de EU kwalificeert voor de deelnemingsvrijstelling of voor vrijstelling van bronbelasting op grond van de Moeder-Dochterrichtlijn (MDR) blijft actueel. Dit speelt met name bij structuren waarin de EU-moedervennootschap feitelijk nauwelijks activiteiten verricht en eigenlijk fungeert als doorstroomvennootschap.

De discussie kreeg in 2019 een belangrijke impuls met de arresten van het Hof van Justitie in februari 2019 (T Danmark en Y Danmark, de zgn. “Deense zaken”). In deze zaken stond misbruik van de MDR centraal bij doorstroomstructuren.

Zes jaar later op 5 april 2025 oordeelde het Europese Hof van Justitie in de Nordcurrent-zaak dat een EU-lidstaat de deelnemingsvrijstelling ook mag weigeren als:

  • De uitkerende dochtervennootschap géén doorstroomvennootschap is,
  • Zelfs als deze dochter daadwerkelijke economische activiteiten verricht.

Het Europese Hof stelde hierbij wel twee belangrijke (cumulatieve) voorwaarden, nl.:  

  1. De houdstervennootschap mist economische realiteit (is kunstmatig); én
  2. de opgezette structuur heeft als (hoofd)doel een belastingvoordeel te realiseren dat de doelstelling van de MDR ondermijnt.

In dezelfde maand besliste de Hoge Raad op 25 april 2025 in de zogenoemde “Belgische Zaken” dat de vrijstelling dividendbelasting van artikel 4 lid 2 Wet dividendbelasting niet hoeft te worden toegepast op een dividenduitkering van een Nederlandse BV aan een in België gevestigde persoonlijke houdstervennootschap.

Doorslaggevend was dat deze Belgische holding nauwelijks een functie vervulde, en geen relevante relatie had met de activiteiten van de Nederlandse dochtervennootschap.

Zeer recent is de Conclusie van de A-G Kokott op 21 mei 2026 n.a.v. de Neo-groep zaak bij het Europese Hof van justitie.

In deze conclusie bevestigt A-G Kokott dat sprake van misbruik van de MDR indien:

  • De structuur kunstmatig is; én
  • deze is opgezet met (één van) de hoofddoelen om belastingvoordeel te verkrijgen dat het doel van de MDR ondermijnt.

De A-G voegt wel een belangrijke nuance toe.

Zelfs als de dividend ontvangende vennootschap een “echte” beneficial owner is, kan nog steeds sprake zijn van misbruik. Dit is het geval wanneer:

  • Dividenden via een kunstmatige structuur worden doorgesluisd naar de UBO (natuurlijke persoon); en
  • deze dividenden niet bij de UBO kunnen worden belast.

In aanvulling hierop geeft de A-G aan dat:

  • Een zuiver nationale transactie in beginsel geen kunstmatige constructie is, tenzij
  • de transactie onderdeel is van een totaalplan gericht op belastingontwijking op UBO-niveau.

Anders gezegd: een dividenduitkering van een dochter aan een moeder in hetzelfde EU-land kan onder deze omstandigheden toch onderdeel zijn van een kunstmatige constructie.

De A-G merkt ook nog op dat misbruik van nationale (belasting)wetgeving t.a.v. een dividenduitkering niet automatisch kwalificeert als misbruik van de MDR. In dergelijke gevallen is het aan de nationale rechter om te toetsen aan nationaal anti-misbruikrecht (bijvoorbeeld rond deelnemingsvrijstelling of dividendbelasting).

Uiteraard geldt dat conclusies van A-G niet bindend zijn voor het HvJ-EU, zodat nog moet blijken of het HvJ-EU de aanbevelingen van de A-G zal volgen. 

Samenvattend:

De lijn in de rechtspraak is verder verduidelijkt c.q. aangescherpt:

  • Economische activiteit op het niveau van de dochter is niet doorslaggevend voor de vraag of sprake is van misbruik van de MDR.
  • De focus ligt op de economische realiteit en het doel van de holdingstructuur.
  • Ook bij een “echte” uiteindelijke gerechtigde kan misbruik worden aangenomen als sprake is van kunstmatig doorgeleiden van het bedrag van de dividenduitkering naar de UBO op een zodanig wijze dat deze niet kan worden belast.

Wenn Sie Fragen zu RSM Büro Deutschland haben oder einfach nur allgemeine Fragen haben, dann senden Sie uns einfach eine kurze Nachricht über das hier aufgeführte Kontaktformular.