2025 betekende een kantelpunt voor bedrijfsduurzaamheid in Europa, gekenmerkt door zowel regelgevende bijsturingen als een versnelling van de marktverwachtingen. Het jaar werd bepaald door de formalisering van het Omnibus-vereenvoudigingsprogramma, de voortdurende evoluties van de CSRD en de CSDDD, en de invoering van de VSME, die de leemtes opvulde binnen een snel veranderend regelgevend landschap.

Tegelijkertijd nam de druk vanuit de markten, investeerders en waardeketenpartners verder toe. De vraag naar ESG‑informatie die effectief kan worden gebruikt voor besluitvorming is niet afgenomen; ze is selectiever geworden, strenger beoordeeld en nauwer verbonden met bedrijfsrisico’s en langetermijnprestaties.

1. Omnibus‑pakket en regelgevende vereenvoudiging: een jaar gekenmerkt door onzekerheid

De regelgevende herkalibratie van 2025 begon in februari, toen de Europese Commissie haar Omnibus‑vereenvoudigingspakket voorstelde. Dit pakket, bedoeld om de toenemende bezorgdheid over de complexiteit van de implementatie en de impact op de concurrentiekracht weg te nemen, creëerde meteen een periode van onzekerheid voor bedrijven. Er rezen vragen over de reikwijdte, de timing en de toekomstige stabiliteit van het Europese duurzaamheidskader, vooral bij organisaties die zich voorbereidden op de volgende rapporteringsgolven onder de CSRD en de CSDDD.

Een eerste concrete reactie volgde in april 2025 met de goedkeuring van de “stop‑the‑clock”-richtlijn. Deze maatregel bracht op korte termijn juridische duidelijkheid door de inwerkingtreding van een aantal belangrijke verplichtingen uit te stellen. De toepassing van de CSRD werd met twee jaar uitgesteld voor grote ondernemingen die nog niet met rapportering waren gestart. Tegelijkertijd werden zowel de omzettingstermijn als de eerste toepassingsfase van de CSDDD met één jaar verschoven.

Na maanden van debat en wisselende verwachtingen werd de regelgevende koers formeel bevestigd met de aanneming van het Omnibus‑pakket in december 2025. In plaats van het Europese duurzaamheidskader af te bouwen, verankerde het pakket vereenvoudiging en proportionaliteit als leidende principes, en introduceerde het aangepaste drempels en toepassingsregels binnen de belangrijkste instrumenten.
 

CSRD

Binnen de CSRD en de ESRS werd de reikwijdte van de verplichte rapportering aanzienlijk ingeperkt. Enkel EU‑ondernemingen met meer dan 1.000 werknemers en een jaaromzet van meer dan 450 miljoen euro vallen nog binnen het toepassingsgebied, evenals niet‑EU‑ondernemingen met substantiële activiteiten in de EU en een omzet van meer dan 450 miljoen euro binnen de Unie. Daarnaast gingen de ESRS een fase van toekomstige vereenvoudiging in. Op basis van de feedback uit de eerste CSRD‑rapporteringscyclus diende EFRAG begin december 2025 zijn definitief technisch advies in, met voorstellen voor gerichte vereenvoudigingen van de normen. Deze voorstellen beogen minder complexiteit, meer duidelijkheid in de datapuntdefinities en een versterking van het proportionaliteitsprincipe. De Europese Commissie moet dit advies nu beoordelen en zal naar verwachting vereenvoudigde ESRS aannemen via een gedelegeerde handeling.

CSDDD

Voor de CSDDD werden de verplichtingen inzake zorgvuldigheid hergericht op de grootste ondernemingen, namelijk die met meer dan 5.000 werknemers en een omzet van meer dan 1,5 miljard euro. De richtlijn focust voortaan voornamelijk op directe zakelijke relaties, terwijl de expliciete verplichting om een transitieplan in lijn met het Akkoord van Parijs te publiceren werd geschrapt.

 

Gezamenlijk tonen de voorstelling van het Omnibus‑pakket in februari, de stop‑the‑clock‑richtlijn in april en de uiteindelijke aanneming in december hoe 2025 voor bedrijven een jaar van onzekerheid werd. Duurzaamheidsregulering bleef een strategische prioriteit voor de EU, maar de koers ervan werd hertekend door economische overwegingen, met blijvende gevolgen voor de manier waarop ondernemingen hun ESG‑strategieën plannen en uitvoeren.

2. VSME: vrijwillige standaarden met groeiende praktische relevantie

Bij het uitblijven van uitgebreidere EU‑rapportageverplichtingen voor kleinere entiteiten begon de Voluntary Sustainability Reporting Standard for SMEs (VSME) in 2025 uit te groeien tot een belangrijke referentie. De VSME werd in juli 2025 door de Europese Commissie formeel aangenomen als aanbeveling, waardoor ze officiële erkenning kreeg als Europese referentiestandaard voor duurzaamheidsrapportering door kmo’s.

Deze erkenning hangt nauw samen met de invoering van de value‑chain cap, die bepaalt welke informatie bedrijven die onder de CSRD vallen mogen opvragen bij andere ondernemingen in hun waardeketen. Volgens dit principe mogen bedrijven die buiten het toepassingsgebied van de CSRD vallen hun antwoorden op duurzaamheidsverzoeken van grotere ondernemingen beperken tot de informatie die in de VSME is opgenomen. Op die manier worden kleinere bedrijven beschermd tegen disproportionele dataverzoeken.

De VSME, afgerond door EFRAG, biedt kmo’s een gestructureerd en proportioneel rapporteringskader dat aansluit bij de logica en architectuur van de ESRS, maar tegelijk aangepast blijft aan hun schaal en middelen.

Voor veel kmo’s lijkt de VSME dan ook uit te groeien tot een door de markt gedragen minimumnorm, die het gat opvult dat is ontstaan door de ingeperkte reikwijdte van de CSRD en tegelijk inspeelt op de blijvende vraag naar ESG‑informatie van stakeholders.

3. Eerste volledige CSRD‑rapporteringscyclus: de realiteit op het terrein

2025 was het jaar waarin de eerste volledige golf van CSRD‑duurzaamheidsrapporten werd gepubliceerd en geanalyseerd. Deze eerste rapporteringscyclus had betrekking op grote entiteiten van openbaar belang die rapporteerden over gegevens van 2024, en bood het eerste concrete inzicht in hoe het nieuwe kader in de praktijk functioneert.

De eerste openbaarmakingen toonden een duidelijke kloof tussen de regelgevende ambitie en de operationele paraatheid. Bedrijven met volwassen governance‑structuren, duidelijk afgebakend databeheer en eerdere ervaring met niet‑financiële rapportering presteerden over het algemeen beter. Daarentegen hadden veel organisaties moeite met de beschikbaarheid, consistentie en traceerbaarheid van gegevens. In sommige gevallen bleven duurzaamheidsgegevens versnipperd over systemen en functies, wat het moeilijk maakte om betrouwbare en gemakkelijk toegankelijke disclosures te produceren. Dubbele‑materialiteitsanalyses bleken bijzonder veeleisend, en rapportering over de waardeketen legde de beperkingen bloot van bestaande datastromen en leveranciersbetrokkenheid, vooral voor thema’s die verder reiken dan de directe activiteiten.

Naast de implementatie-uitdagingen bracht de eerste CSRD‑cyclus ook een aanzienlijke variatie aan het licht in de kwaliteit, diepgang en detaillering van de gepubliceerde rapporten. Sommige bedrijven leverden uitgebreide, goed gestructureerde en transparante disclosures op, terwijl andere zich beperkten tot meer beschrijvende of hoog‑over narratieven, wat uiteenlopende niveaus van maturiteit en voorbereiding weerspiegelde.

De rapporteringscyclus van 2025 bood bovendien een ongeziene inkijk in hoe bedrijven ESG‑thema’s in de praktijk prioriteren. Milieuthema’s, in het bijzonder E1 klimaatverandering, energieverbruik en emissies, domineerden de rapportering, wat zowel de verwachtingen als de relatieve beschikbaarheid van gegevens weerspiegelde. Tegelijk identificeerden veel bedrijven bijkomende materiële thema’s zoals biodiversiteit, vervuiling en circulariteit, zelfs wanneer de onderliggende data nog onvolwassen waren. Aan de sociale kant werden S1‑thema’s rond de eigen werknemers steevast als materieel beschouwd, met name gezondheid en veiligheid, arbeidsomstandigheden, diversiteit en vaardigheden. Arbeidsthema’s binnen de waardeketen werden wel erkend maar minder uitgewerkt, wat de moeilijkheid onderstreept om beleidsengagementen te vertalen naar operationele zichtbaarheid en betrouwbare data.

In zijn geheel bevestigde de eerste CSRD‑rapporteringscyclus een bredere vaststelling: CSRD‑naleving is minder een rapporteringsoefening dan een uitdaging op het vlak van systemen en governance. ESG‑maturiteit wordt niet bepaald door het aantal behandelde thema’s, maar door de diepgang, samenhang en betrouwbaarheid van de gerapporteerde informatie, ondersteund door robuuste dataprocessen, interne controles en samenwerking over functies heen.

4. ESG-data onder verhoogde aandacht: green claims en auditgereedheid

In lijn met de bredere trend van regelgevende vereenvoudiging en uitgestelde verplichtingen werd 2025 ook gekenmerkt door onzekerheid rond de Europese Green Claims Directive. In juni 2025 stelde de Europese Commissie voor om de richtlijn van de wetgevende agenda te schrappen, waardoor ze de facto werd gepauzeerd in afwachting van verdere politieke discussies.

De Green Claims Directive was oorspronkelijk bedoeld om misleidende duurzaamheidsclaims aan te pakken door bedrijven te verplichten hun milieuclaims te staven met robuust, wetenschappelijk onderbouwd bewijs. De richtlijn beoogt de regels binnen de EU te harmoniseren, minimale vereisten voor onderbouwing in te voeren en de verificatiemechanismen te versterken om consumenten te beschermen en eerlijke concurrentie te waarborgen.

Belangrijk is dat deze pauze op EU‑niveau niet heeft geleid tot minder toezicht. Integendeel, in 2025 nam de aandacht voor duurzaamheidsclaims vanuit nationale autoriteiten, consumentenbeschermingsorganisaties en marktspelers verder toe. Bij gebrek aan een geharmoniseerd EU‑kader werd de handhaving meer gefragmenteerd, en gebruikers van duurzaamheidsinformatie betwistten steeds vaker milieu‑ en sociale claims die niet onderbouwd waren, vooral wanneer deze vaag, absoluut of niet met data gestaafd waren.

Deze dynamiek versterkte een groeiende vermoeidheid rond greenwashing. Stakeholders werden minder ontvankelijk voor brede duurzaamheidsverklaringen en stelden hogere eisen aan duidelijke, kwantificeerbare en vergelijkbare informatie. De verwachtingen verschoof steeds meer naar gegevens die in de tijd en ten opzichte van sectorgenoten kunnen worden vergeleken, ondersteund door transparante methodologieën in plaats van louter narratieve claims.

In dit kader wordt het belang van auditgereedheid steeds zichtbaarder, zelfs buiten de verplichte rapporteringsvereisten. Van bedrijven wordt in toenemende mate verwacht dat hun duurzaamheidsclaims, of ze nu voorkomen in duurzaamheidsrapporten, op websites of in commerciële communicatie, gebaseerd zijn op verifieerbare ESG‑gegevens, ondersteund door gedocumenteerde methodologieën en interne controles, en geschikt om onafhankelijk te worden geverifieerd. De capaciteit om consistentie aan te tonen tussen ESG‑disclosures, onderliggende operationele data en publieke claims wordt zo een cruciale factor voor geloofwaardigheid.

5. Biodiversiteit en natuur: strategische prioriteit

Net zoals bij andere duurzaamheidsthema’s werd ook de regelgeving rond natuur onderworpen aan vereenvoudiging en uitstel. Een duidelijk voorbeeld is de beslissing om de toepassing van de Europese verordening inzake ontbossingsvrije producten, EUDR, uit te stellen tot 30 december 2026. Dit uitstel moest bedrijven extra tijd geven om zich voor te bereiden op complexe operationele vereisten.
Ondanks deze regulatoire matiging wonnen biodiversiteit en natuurgerelateerde thema’s in 2025 verder aan strategisch belang. Bedrijven erkennen steeds meer dat biodiversiteitsverlies niet louter een milieuprobleem is, maar een bedrijfsrisico met directe gevolgen voor de veerkracht van waardeketens, de toegang tot natuurlijke hulpbronnen en de license to operate. Deze verschuiving is vooral zichtbaar in sectoren die sterk afhankelijk zijn van landgebruik, water en grondstoffen, waar natuurgerelateerde verstoringen zich vertalen in concrete operationele en financiële risico’s.

In dit kader lanceerde de Europese Commissie in 2025 ook de “Roadmap towards Nature Credits”, bedoeld om private investeringen in natuurbehoud en -herstel te stimuleren. Deze stap toont aan dat de manier waarop we natuur waarderen evolueert naar een gemeenschappelijke taal en benadrukt dat natuur essentieel is voor een veerkrachtige economie.

Doorheen het jaar kwam biodiversiteit dichter bij het aandachtspunt dat traditioneel voorbehouden was voor klimaat en decarbonisatie. Hoewel het thema nog minder matuur is op het vlak van indicatoren en databeschikbaarheid, profiteerde het van een duidelijker conceptueel kader en een groeiende convergentie rond gemeenschappelijke referentiepunten. In dit opzicht speelde de toenemende zichtbaarheid van de Taskforce on Nature‑related Financial Disclosures (TNFD) een centrale rol, vergelijkbaar met de rol die de TCFD eerder voor klimaat speelde.
Een belangrijk mijlpaal in 2025 was de bevestiging door de ISSB dat haar toekomstige standaardiseringswerk rond natuurgerelateerde rapportering zal steunen op het TNFD‑kader, inclusief de aanbevelingen, indicatoren en richtlijnen ervan. Eerder dat jaar kondigden de IFRS en de TNFD ook een formele samenwerking aan om natuurgerelateerde financiële rapportering voor de kapitaalmarkten mogelijk te maken. Deze samenwerking versterkt het signaal dat biodiversiteit steeds meer wordt geïntegreerd in mainstream financiële en risicorapportering, in plaats van een louter milieuthema te blijven.

Los van de rapporteringskaders maakte 2025 ook de grenzen zichtbaar van de huidige bedrijfsvoorbereiding op biodiversiteit. De beschikbare data blijft sterk locatiegebonden, gefragmenteerd en moeilijk te consolideren op groepsniveau. Daardoor focusten de meeste bedrijven op het begrijpen van afhankelijkheden en blootstellingen, eerder dan op het vastleggen van kwantitatieve doelstellingen. Deze voorzichtige aanpak weerspiegelt een groeiend realisme: geloofwaardige biodiversiteitsstrategieën vereisen methodologische duidelijkheid, prioritering en afstemming op operationele besluitvorming.

In het geheel bevestigde 2025 dat biodiversiteit niet langer een randthema is, maar evenmin al de maturiteit van klimaat heeft bereikt. De strategische relevantie neemt toe, gedreven minder door directe regulatoire druk dan door risicobewustzijn, investeerdersinteresse en de geleidelijke convergentie van rapporteringskaders. Net zoals bij klimaat een decennium geleden ligt de uitdaging nu in het omzetten van deze groeiende aandacht in robuuste, besluitvormingsrelevante informatie en operationele integratie.

6. Klimaatstrategie: een moment van realisme

Tien jaar na het Akkoord van Parijs stond 2025 eerder in het teken van een nuchtere evaluatie dan van hernieuwde ambitie. Ondanks een decennium aan klimaatengagementen en regelgevende initiatieven blijft de mondiale trajectorie duidelijk niet in lijn met de 1,5°C‑doelstelling, die steeds moeilijker haalbaar lijkt. Deze conclusie werd het hele jaar door breed gedeeld in wetenschappelijke, beleidsmatige en bedrijfsgerichte discussies. In dat licht lijkt de vereenvoudiging van regelgevende instrumenten weinig bij te dragen aan het dichten van deze kloof.

Tegelijkertijd bevestigde de Europese Unie opnieuw de langetermijnrichting van haar klimaatbeleid. De doelstelling van klimaatneutraliteit tegen 2050, zoals vastgelegd in de Europese Green Deal, blijft ongewijzigd. In juli 2025 bevestigde de EU bovendien een ambitieus tussentijds doel voor 2040: een vermindering van de broeikasgasemissies met 90% ten opzichte van 1990.

Op bedrijfsniveau bleef de klimaatdynamiek grotendeels aanhouden. Voor veel ondernemingen werd klimaatactie in 2025 minder gedreven door regelgevende druk en meer door fysieke klimaatrisico’s, financiële blootstelling en marktverwachtingen. Extreme weersomstandigheden, verstoringen in de toeleveringsketen en stijgende kosten voor adaptatie en verzekeringen onderstreepten het bedrijfsbelang van zowel mitigatie als adaptatie.

Operationeel bleef de koolstofboekhouding verder matureren. Scope 1‑ en Scope 2‑emissies worden inmiddels relatief goed begrepen en beheerd binnen veel organisaties, inclusief kmo’s, met gevestigde meetmethodes en geïdentificeerde reductiehefbomen. Scope 3‑emissies blijven uitdagender, maar kregen steeds meer aandacht doordat bedrijven hun inventarissen uitbreidden, leveranciers engageerden en de lopende discussies over methodologische verbeteringen binnen het GHG‑protocol opvolgden.

Meer in het algemeen schuift transitieplanning steeds verder op naar de kern van strategische besluitvorming. Transitieplannen worden steeds vaker beoordeeld op hun haalbaarheid en hun bijdrage aan langetermijnwaardcreatie, en niet enkel op hun ambitieniveau of verre nettonul‑doelstellingen. Tegelijk worden fysieke en transitierisico’s geleidelijk geïntegreerd in risicobeheer en kapitaalallocatie, wat de nauwere koppeling tussen klimaatstrategie en bedrijfsperformantie weerspiegelt.
In zijn geheel benadrukte 2025 een structurele realiteit: regelgevende aanpassingen kunnen het tempo van de implementatie beïnvloeden, maar veranderen de richting niet. Tien jaar na Parijs blijft de 1,5°C‑doelstelling een belangrijk referentiepunt, en worden bedrijfsgerichte klimaatstrategieën steeds sterker gestuurd door risicobeheer en strategische besluitvorming.

7. Artificiële intelligentie en duurzaamheid: versnelling met grenzen

Het is moeilijk om terug te blikken op duurzaamheid in 2025 zonder de snelle opmars van artificiële intelligentie te vermelden. In de loop van het jaar evolueerde AI duidelijk van experiment naar brede inzet binnen duurzaamheidsfuncties. Wat ooit werd gezien als een opkomende capaciteit, werd voor veel organisaties een operationeel onderdeel van ESG‑beheer.

In de praktijk werden AI‑gestuurde tools steeds vaker gebruikt ter ondersteuning van duurzaamheidsrapportering, databeheer en risicoanalyse. Bedrijven zetten AI in om ESG‑gegevens uit uiteenlopende systemen te consolideren, data‑extractie te automatiseren, regelgevende vereisten in kaart te brengen, leveranciers te screenen en lacunes of inconsistenties in duurzaamheidsinformatie te identificeren. Deze tools hielpen om handmatig werk te verminderen, rapporteringscycli te versnellen en de traceerbaarheid te verbeteren.

Toch maakte 2025 ook de grenzen van AI binnen duurzaamheid duidelijk. Hoewel tools grote hoeveelheden data kunnen verwerken en patronen kunnen herkennen, vervangen ze geen oordeelsvermogen, context of verantwoordelijkheid. Materialiteitsanalyses, methodologische keuzes, aannames en afwegingen blijven menselijke beslissingen. Daardoor fungeert AI steeds meer als ondersteunend instrument, niet als vervanging van expertise.

Tegelijk werd de ecologische voetafdruk van AI zelf zichtbaarder. De toenemende rekenkracht, de groeiende behoefte aan datastorage en het trainen van modellen riepen meer vragen op over energie‑ en waterverbruik en de bijbehorende emissies. In een duurzaamheidscontext creëert dit een nieuwe spanning: AI kan efficiëntie, transparantie en besluitvorming verbeteren, maar brengt ook een milieukost met zich mee die moet worden erkend en beheerd.

8. Vooruitblik naar 2026: een aanhoudende dynamiek

2025 was geen pauze in het duurzaamheidsverhaal; het was een herkalibratie. Hoewel regelgevende vereenvoudiging waarschijnlijk zal aanhouden, bepaalt die niet langer op zichzelf het tempo van bedrijfsduurzaamheid. Marktgedreven dynamieken bepalen in toenemende mate de prioriteiten en timing.

Wanneer bedrijven 2026 ingaan, wordt verwacht dat de focus verschuift van het interpreteren van regelgevende veranderingen naar het verankeren van duurzaamheid in dagelijkse besluitvorming en acties. Dit omvat het versterken van ESG‑informatiesystemen, het verbeteren van de datakwaliteit en het integreren van duurzaamheidsaspecten in kernprocessen, zowel operationeel als strategisch. Externe assurance en interne controles zullen een belangrijke rol blijven spelen, aangezien ESG‑informatie steeds directer wordt gebruikt om zakelijke beslissingen, kapitaalallocatie en de dialoog met stakeholders te ondersteunen.

Uiteindelijk zullen organisaties die hun duurzaamheidsengagementen kunnen omzetten in geloofwaardige, besluitvormingsrelevante resultaten het best geplaatst zijn om veerkracht op te bouwen, het vertrouwen van stakeholders te behouden en waardecreatie op lange termijn te ondersteunen, ongeacht hoe het regelgevend landschap evolueert.

En wie in 2026 zijn duurzaamheidsinitiatieven wil versterken en voorop wil blijven lopen op de marktverwachtingen, mag ons gerust contacteren. Ons team staat klaar om u te ondersteunen bij het omzetten van ambitie in meetbare vooruitgang.