1. Huidige situatie: emanatie-theorie

Onder de traditionele Belgische emanatietheorie kon een “opdrachthoudende vereniging” (Vlaanderen) / “intercommunale” (Wallonië) voor de opdrachten die haar door haar leden (gemeenten, steden enz..) werden toevertrouwd, in zekere mate worden beschouwd alsof men handelende als overheid, omdat de vereniging in de plaats trad van haar leden. Hierdoor konden deze verenigingen handelingen stellen zonder btw, alsof men handelde als niet-btw-plichtige tenzij natuurlijk deze handelingen concurrentieverstorend van enige betekenis zouden zijn, tenzij de gestelde handelingen opgesomd waren in art 6, 3de lid Wbtw en niet van onbeduidende omvang waren.

De financiële afrekeningen tussen de vereniging en haar leden vielen dan ook buiten de btw-werkingssfeer. In het Digipolis-arrest oordeelde het Gerecht evenwel dat een nationale praktijk dergelijke prestaties niet buiten de btw kan houden wanneer sprake is van een zelfstandige economische activiteit en diensten onder bezwarende titel worden verricht, waarbij een direct verband bestaat tussen de geleverde prestatie/dienst en de ontvangen vergoedingen.

2. Wat verandert er vanaf 1 januari 2027?

Door invoering van de nieuwe Circulaire 2026/C/81, poogt de Belgische administratie een oplossing te bieden om huidge wijze van handelen van de beoogde “Opdrachthoudende verenigingen / Intercommunales” min of meer te behouden, en dit om de mogelijke impact voor de sector te minimaliseren.

Om dit doel te bereiken, lijkt de Circulaire te stellen dat publiekrechterlijke lichamen die bij wijze van vereniging en niet bij wijze van stichting werden opgericht tevens als “een publiekrechterlijk orgaan dat handelt als overheid” kan worden gekwalificeerd (zoals beoogd in art. 6, 1° lid Wbtw) en dit integenstelling van het vorige administratieve standpunt gepubliceerd in de Circulaire AAFisc Nr. 42/2015.

In de mate dat de voorwaarde “handelen als overheid” echter niet ingevuld kan worden, en men dus toch als gewone “btw-plichtige” zou kwalificeren (zoals beoogd in art. 4 Wbtw), verwijst de Circulaire naar een alternatieve mogelijkheid, nl deze van de “Zelfstandige goreperingen van personen” of voorheen “Kostendelende vereniging” genoemd (toepassing art. 44 §2bis Wbtw) en dit in de mate dat alle hieraan verbonden voorwaarden ingevuld kunnen worden.

Bestaande opdrachthoudende verenigingen en intercommunales dienen dan ook na te gaan in welke mate men alsnog “als overheid” kan handelen en/of na te gaan of de figuur van de “Zelfstandige goreperingen van personen” (of voorheen “Kostendelende vereniging” genoemd) geen oplossing kan bieden, ten einde diensten zonder btw blijvend te kunnen verrichten naar haar leden toe.

De belangrijkste verschuiving is dus dat niet langer kan worden vertrokken van het btw-statuut van de aangesloten gemeenten. Elke betrokken vereniging zal haar eigen positie opnieuw moeten beoordelen..

3. Mogelijke andere impacten

Alhoewel de circulaire, in de eerste plaats het btw-statuut van opdrachthoudende verenigingen en intercommunales, beoogt, kunnen de btw-gevolgen op basis van huidige gepubliceerde teksten, mogelijke negatieve impacten hebben voor andere publiekrechterlijke lichamen die bij wijze van vereniging werden opgericht, zoals bijvoorbeeld de autonome gemeente- en provinciebedrijven, de extern verzelfstandigde agentschappen in privaatrechterlijke vorm, de andere intergemeentelijke samenwerkingsverbandvormen enz….

Door het nieuwe adminstratieve standpunt zou de huidige btw-behandeling van deze andere vormen van samenwerking in het gedrang kunnen komen. Verder uitklaring van de nieuwe ingevoerde concepten is dan ook primordiaal en dient nauw opgevolgd te worden en dit ten einde niet met ongewenste btw-gevolgen geconfornteerd te worden voor deze andere wijze van samenwerkingen.

4. Wat moeten betrokken verenigingen nu doen?

Per vorm van gemeentelijke of intergemeentelijke samenwerking dient dan ook te worden nagegaan:

  1. Wat het nieuwe btw-statuut wordt van de vereniging;
  2. Hoe de verschillende activiteiten en het gerelateerd recht op aftrek moet worden behandeld;
  3. Hoe bijdragen, subsidies en andere financiële stromen met de leden voor btw-doeleinden moet worden gekwalificeerd en/of moeten worden herbekeken;
  4. Hoe mogelijks een btw-herziening op bestaande investeringen dient te worden uitgevoerd.



Indien je meer informatie wenst over dit topic of een overleg wenst in te plannen, aarzel dan niet om contact te leggen met het RSM Belgium btw-team (vat@rsmbelgium.be).