Eind juli 2026 werd de Wet tot hervorming van de personenbelasting gepubliceerd. De hervorming wil werken en ondernemen fiscaal aantrekkelijker maken, maar reikt duidelijk verder dan de personenbelasting alleen. Ook werkgevers en vennootschappen worden rechtstreeks getroffen, onder meer via nieuwe regels inzake bedrijfsleidersbezoldigingen en voordelen van alle aard, de hervormde overurenregelingen en de herintroductie van software in het fiscale auteursrechtenregime. De maatregelen treden bovendien niet allemaal tegelijk in werking. Sommige gelden al voor inkomsten van 2026, terwijl andere stapsgewijs worden ingevoerd tot inkomstenjaar 2030. Hierna lichten we de voornaamste wijzigingen en aandachtspunten toe.
 

1. MINDER LASTEN OP ARBEID

De belastingvrije som wordt de komende jaren geleidelijk verhoogd. Tegen inkomstenjaar 2030 (aanslagjaar 2031) moet het geïndexeerde basisbedrag ongeveer € 15.600 bedragen.

Daarnaast wordt de fiscale werkbonus voor lage lonen versterkt. Voor de laagste lonen gebeurt dit in verschillende stappen vanaf aanslagjaar 2027 en opnieuw vanaf aanslagjaar 2029.

Vanaf inkomstenjaar 2028 wordt ook de Bijzondere Bijdrage Sociale Zekerheid (BBSZ) individueel in plaats van op gezinsniveau berekend en wordt het maximumbedrag verlaagd.

De hervorming focust duidelijk op arbeidsinkomsten. Voor pensioenen en bepaalde vervangingsinkomsten wordt het voordeel van de hogere belastingvrije som geheel of gedeeltelijk gecompenseerd via aangepaste belastingverminderingen.

Aandachtspunt voor werkgevers: de wijzigingen zullen geleidelijk doorwerken in payroll en bedrijfsvoorheffing. Het netto-effect verschilt per werknemer, zodat loon- en netto simulaties aangewezen kunnen zijn...
 

2. OVERUREN: MEER STRUCTURELE FLEXIBILITEIT

De wet maakt verschillende tijdelijke gunstregimes inzake overuren structureel.

Vanaf 1 april 2026 kunnen maximaal 240 vrijwillige overuren per jaar fiscaal worden vrijgesteld, op voorwaarde dat voor deze uren geen overwerktoeslag wordt betaald. Let op: voor 2026 moeten de eerdere relance-uren en de nieuwe vrijwillige overuren samen binnen het plafond van 240 vrijstelbare uren blijven.

Daarnaast wordt het aantal fiscaal gunstige overuren mét overwerktoeslag voor alle sectoren permanent verhoogd van 130 naar 180 uren. Voor werknemers geldt een belastingvermindering; aan werkgeverszijde wordt het plafond voor de gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing eveneens op 180 uren gebracht. Deze regeling geldt voor overuren gepresteerd vanaf 1 januari 2026.

Tip: ondernemingen met structurele piekmomenten doen er goed aan hun ‘overtime policy’ opnieuw te bekijken en de fiscale mogelijkheden af te stemmen op de arbeidsrechtelijke voorwaarden..
 

3. BIJVERDIENEN NA PENSIONERING

Vanaf 1 januari 2027 geldt voor bepaalde bezoldigingen van gepensioneerden die als werknemer blijven werken een afzonderlijk belastingtarief van 33%.

De regeling geldt onder voorwaarden voor wie effectief een rust- of overlevingspensioen geniet en de wettelijke pensioenleeftijd heeft bereikt, dan wel op het moment van pensionering een volledige loopbaan had.

Belangrijk is dat het regime betrekking heeft op werknemersbezoldigingen. Een gepensioneerde die als zelfstandige verder werkt en winsten of baten ontvangt, valt er niet onder.

Voor werkgevers kan dit nieuwe mogelijkheden bieden om ervaren medewerkers ook na pensionering verder in te zetten.
 

4. EXTRA STIMULI VOOR ZELFSTANDIGEN

Vanaf aanslagjaar 2028 wordt een nieuwe ondernemersaftrek ingevoerd voor zelfstandigen in hoofd- of bijberoep. De aftrek bedraagt 10% van de daarvoor in aanmerking komende winsten of baten, binnen een wettelijk plafond dat later wordt verhoogd.

De maatregel geldt enkel voor natuurlijke personen en dus niet voor winsten die via een vennootschap worden gerealiseerd.

Daarnaast verdwijnt vanaf inkomstenjaar 2026 de belastingvermeerdering wegens onvoldoende voorafbetalingen voor zelfstandigen met winsten of baten en voor meewerkende echtgenoten. Vrijwillig voorafbetalen blijft mogelijk en kan nog steeds recht geven op een bonificatie. Er komt bovendien een vijfde voorafbetalingsperiode, van 21 december tot 20 februari van het daaropvolgende jaar. Voor bedrijfsleiders blijft de verplichting om voldoende vooraf te betalen wel bestaan.

Tip: het verdwijnen van de vermeerdering maakt voorafbetalingen minder dwingend, maar cashflow en bonificatie blijven redenen om ze mee te nemen in de fiscale planning.
 

5. DE-MINIMISREGEL VOOR DIVERSE INKOMSTEN

De hervorming voert ook een nieuwe de-minimisregel in voor bepaalde inkomsten uit het ‘normaal beheer van een privévermogen’.

Wanneer de bruto-opbrengst van verrichtingen met onder meer roerende voorwerpen onder een wettelijk plafond blijft (geïndexeerd voor aanslagjaar 2027 ongeveer € 2.000) geldt een onweerlegbaar vermoeden dat deze verrichtingen tot het normale beheer van het privévermogen behoren. Ze worden dan niet als diverse inkomsten belast.

De regeling kan bijvoorbeeld relevant zijn voor occasionele verkopen via tweedehandsplatformen. Wordt het plafond overschreden, dan vervalt het automatische vermoeden, maar dat betekent niet dat de volledige opbrengst automatisch belastbaar wordt. De gewone beoordeling blijft dan gelden.

De regeling is bovendien niet van toepassing op financiële activa, waarvoor specifieke fiscale regels gelden.
 

6. SOFTWARE OPNIEUW IN HET AUTEURSRECHTENREGIME

Voor de technologie- en softwaresector springt de terugkeer van computerprogramma's binnen het fiscale auteursrechtenregime in het oog.

De regeling wordt opnieuw uitgebreid naar computerprogramma's in de zin van de relevante bepalingen van het Wetboek van Economisch Recht en geldt voor inkomsten die vanaf 1 januari 2026 worden betaald of toegekend.

Belangrijk is ook de verduidelijking tijdens de parlementaire bespreking. Daaruit blijkt dat de vernieuwde regeling binnen de IT-sector ruim kan worden geïnterpreteerd en dat ook interne software en maatwerksoftware binnen het toepassingsgebied kunnen vallen.

Dat betekent uiteraard niet dat elke vergoeding aan een softwareontwikkelaar automatisch kwalificeert. De auteursrechtelijke, contractuele en fiscale voorwaarden moeten per situatie worden getoetst. Ook de sociaalrechtelijke behandeling verdient afzonderlijke aandacht.

Tip voor technologiebedrijven: dit is een goed moment om bestaande contracten en verloningsmodellen opnieuw te screenen. Een correcte juridische onderbouw blijft essentieel; louter een deel van het loon als “auteursrechtenvergoeding” benoemen volstaat niet.
 

7. OOK VENNOOTSCHAPPEN WORDEN RECHTSTREEKS GERAAKT


Hogere minimumbezoldiging voor bedrijfsleiders

Om als kleine vennootschap het verlaagde tarief van 20% op de eerste € 100.000 belastbare winst te kunnen toepassen, moet onder meer aan een minimumbezoldigingsvoorwaarde worden voldaan. Die drempel wordt verhoogd en voortaan jaarlijks geïndexeerd. Voor aanslagjaar 2027 bedraagt de geïndexeerde minimumbezoldiging € 51.000.

De bezoldigingsvoorwaarde speelt bovendien sinds aanslagjaar 2026 ook een rol voor de verrekening van roerende voorheffing op bepaalde dividenden van DBI-beveks.

Aandachtspunt: controleer de minimumbezoldiging tijdig. Een tekort kan niet alleen het verlaagde KMO-tarief in gevaar brengen, maar in bepaalde gevallen ook ertoe leiden dat de ingehouden roerende voorheffing op dividenden van DBI-beveks (in de portefeuille) effectief een kost wordt.


Nieuwe 20%-regel voor voordelen van alle aard

Vanaf aanslagjaar 2027 wordt ook de samenstelling van het loonpakket belangrijker.

Forfaitair gewaardeerde voordelen van alle aard worden als “bovenmatig” beschouwd wanneer zij meer bedragen dan 20% van de totale belastbare bezoldigingen van de betrokken categorie. De beoordeling gebeurt afzonderlijk en globaal voor de categorie werknemers en voor de categorie bedrijfsleiders, dus niet per individuele persoon.

Bij bovenmatige voordelen aan werknemers kan een bijzondere heffing van 7,5% spelen. Bij bedrijfsleiders kan een overschrijding ertoe leiden dat een kleine vennootschap het verlaagde vennootschapstarief verliest.
(Nota: in de Rechtspersonenbelasting ook bijkomende heffing van 7,5% op bovenmatige voordelen aan bedrijfsleiders)

Voor ondernemingen die sterk werken met bedrijfswagens, kosteloze huisvesting of andere forfaitair gewaardeerde voordelen is een herbekijken van de verhouding tussen cashloon, voordelen en dividenden dan ook aangewezen. Dat geldt in het bijzonder voor managementvennootschappen.
 

8. GEZINSFISCALITEIT EN VERVANGINGSINKOMSTEN

Ook de gezinsfiscaliteit wordt op meerdere punten gewijzigd. Zo worden de toeslagen op de belastingvrije som voor één en twee kinderen stapsgewijs aangepast en worden de voorwaarden voor bepaalde voordelen voor alleenstaande ouders aangescherpt.

Het huwelijksquotiënt wordt voor niet-gepensioneerden vanaf aanslagjaar 2027 geleidelijk beperkt. Voor oudere gepensioneerden geldt een langere overgangsregeling.

De belastingvermindering voor werkloosheidsuitkeringen wordt eveneens stapsgewijs afgebouwd en verdwijnt vanaf aanslagjaar 2030.
 

9. EEN HERVORMING IN VERSCHILLENDE SNELHEDEN

De timing van de maatregelen verdient bijzondere aandacht.

TimingBelangrijkste wijzigingen
Vanaf 1 januari 2026Software opnieuw in auteursrechtenregime; 180 fiscaal gunstige overuren met toeslag; versoepeling voorafbetalingen voor zelfstandigen
Vanaf 1 april 2026Permanente regeling voor maximaal 240 vrijgestelde vrijwillige overuren
Aanslagjaar 2027Eerste verhoging belastingvrije som; versterking werkbonus; 20%-regel VAA; hogere minimumbezoldiging bedrijfsleider; de-minimisregel
Vanaf 1 januari 2027Afzonderlijk tarief van 33% voor kwalificerende bezoldigingen van gepensioneerden
Aanslagjaar 2028Start ondernemersaftrek
Inkomstenjaar 2028 / aanslagjaar 2029Individualisering BBSZ en verdere versterking werkbonus
Tot inkomstenjaar 2030Verdere verhoging belastingvrije som en andere gefaseerde aanpassingen

De hervorming moet dus niet als één pakket met één startdatum worden bekeken. Voor fiscale en ‘payroll’-planning is telkens het juiste inkomsten- en aanslagjaar bepalend.
 

WAT BETEKENT DIT VOOR DE PRAKTIJK?

De hervorming verschuift het fiscale zwaartepunt duidelijk richting arbeid en ondernemerschap, maar combineert dat met nieuwe voorwaarden en beperkingen. Voor ondernemingen is de impact bovendien ruimer dan ‘payroll’ alleen. Vennootschapsbelasting, bedrijfsleidersverloning, voordelen van alle aard, dividendbeleid, auteursrechten en personeelsplanning zijn daarbij steeds nauwer met elkaar verbonden.

Het is daarom aangewezen om bestaande structuren tijdig opnieuw te toetsen. Denk daarbij in het bijz onder aan:

  • de verhouding tussen cashbezoldiging, VAA en dividenden;
  • de minimumbezoldiging van bedrijfsleiders;
  • bestaande DBI-bevek posities;
  • auteursrechtenvergoedingen binnen IT- en softwarebedrijven;
  • het gebruik van de vernieuwde overurenregelingen;
  • de impact van de nieuwe regels voor zelfstandigen en gepensioneerde werknemers;
  • de gefaseerde inwerkingtreding tot 2030.

De kernvraag is dan ook niet alleen welke maatregel fiscaal voordelig is, maar vooral of de bestaande verlonings-, personeels- en ondernemingsstructuur nog past binnen het nieuwe fiscale kader.
 

Voor eventuele vragen over bovenstaande onderwerpen kan je je wenden tot het Tax-team van RSM Belgium via tax@rsmbelgium.be.