Sinds 1 januari 2023 maakt de regeling excessief lenen bij de eigen vennootschap onderdeel uit van het box 2-regime. Indien een aanmerkelijkbelanghouder tezamen met zijn partner meer dan € 500.000 heeft geleend van de eigen vennootschap, wordt het surplus boven deze € 500.000 aangemerkt als een fictief regulier voordeel in box 2. De regeling moet voorkomen dat belastingplichtigen de box 2-heffing langdurig uitstellen door gelden aan de bv te onttrekken in de vorm van leningen in plaats van dividenduitkeringen.
Om dubbele belastingheffing over zo’n excessieve schuld te voorkomen, kan een eerder belast bedrag weer in mindering komen op positief box 2-inkomen. Bijvoorbeeld wanneer de bovenmatige schuld op een later moment afneemt door aflossing, bijvoorbeeld via een dividend. Hierdoor wordt de box 2-heffing naar voren gehaald; er wordt géén aanvullende heffing beoogd. De vermindering werkt echter alleen wanneer deze kan worden afgezet tegen positief box 2-inkomen in hetzelfde jaar of binnen de verliesverrekeningstermijn in box 2. Deze verliesverrekening is beperkt tot één jaar carryback en zes jaar carryforward.
Hoewel de regeling inmiddels bij de meesten bekend zal zijn, kunnen bij overlijden van een dga onverwachte fiscale gevolgen ontstaan. Bij overlijden vindt namelijk een fictieve vervreemding van het aanmerkelijk belang plaats. De erfgenamen betalen hierover box 2 heffing, die wordt gematigd door de eerdere afrekening over de excessieve schuld. De schuld blijft desondanks natuurlijk wél bestaan. Dat is relevant bij de verdeling van de nalatenschap. Naar wie gaan de aandelen en naar wie gaan de schulden? Zijn dat (allemaal) dezelfde personen als de erfgenamen of niet? Hierdoor ontstaat een, niet altijd even soepele, samenloop tussen de regels voor excessief lenen, de box 2-heffing bij overlijden en eventuele doorschuifregelingen.
Knelpunten bij overlijden
Een belangrijk aandachtspunt bij overlijden is de verliesverrekening in box 2. Door de fictieve vervreemding van het aanmerkelijk belang kan een negatief regulier voordeel ontstaan ter grootte van eerder in aanmerking genomen voordelen uit excessief lenen. Hoewel de regeling hiermee beoogt dubbele belastingheffing te voorkomen, blijkt in de praktijk dat dit niet altijd volledig wordt bereikt.
Met name wanneer de bovenmatige schuld al enkele jaren eerder in de belastingheffing is betrokken, kan de beperkte verliesverrekening in box 2 ertoe leiden dat een deel van het ontstane verlies onbenut blijft. Daardoor worden eerder belaste voordelen uit excessief lenen niet volledig gecompenseerd. Dit gebeurt wanneer het vervreemdingsvoordeel bij overlijden kleiner is dan het bedrag dat eerder als bovenmatige schuld in aanmerking is genomen.

Voorbeeld 1) De BV heeft een oudedagsverplichting van € 900.000 en beclaimde reserves van € 800.000. X overlijdt. Het vervreemdingsvoordeel wegens overlijden in 2026 bedraagt € 800.000 en het negatieve bedrag voor het fictief regulier voordeel komt uit op € 1 miljoen (€ 1,5 miljoen – drempel van € 500.000). Hiermee bedraagt het box 2-inkomen € 200.000 negatief. Dit verlies kan uitsluitend met het inkomen van X in 2025 worden verrekend. Als de excessieve schuld al in 2023 of 2024 is ontstaan, biedt verliesverrekening geen soelaas. Omdat X geen partner heeft, gaat het verlies onbenut teniet.
Ook de positie van de erfgenamen verdient in dit kader aandacht. Schulden aan de eigen bv gaan veelal over op de erfgenamen. Afhankelijk van wie de aandelen verkrijgen, kan zo wéér een excessieve schuldpositie ontstaan met afrekening tot gevolg. Dit geldt met name wanneer leningen terechtkomen bij verbonden personen, zoals kinderen. Hoewel zij tijdens het leven van de dga als verbonden persoon ook beschikken over een schuldgrens van € 500.000, kan door de vererving van schulden deze grens worden overschreden. Hierdoor kan een lening die vóór overlijden niet bovenmatig was, na overlijden toch aanleiding geven tot box 2-heffing op grond van de excessiefleenregeling.
Ook wanneer schulden of aandelen vererven naar niet-verbonden personen kunnen situaties ontstaan waarin vóór overlijden geen sprake was van een bovenmatige schuld, terwijl na overlijden alsnog een bedrag op grond van de excessiefleenregeling in aanmerking moet worden genomen. De overgang van schulden en aandelen kan daardoor leiden tot een andere fiscale uitkomst dan tijdens leven van de dga het geval was.
Verder geldt bij immigratie van een aanmerkelijkbelanghouder een verhoogde schuldgrens. Deze verhoging gaat bij overlijden echter niet over op de erfgenamen, waardoor een schuld die tijdens leven buiten de werking van de excessiefleenregeling bleef, na overlijden alsnog als bovenmatig kan worden aangemerkt.

Voorbeeld 2) X is enig aandeelhouder van een rechtspersoon en immigreert naar Nederland. Zijn maximumbedrag voor excessief lenen wordt bij immigratie gesteld op € 3 miljoen. X overlijdt en zijn schuld is nog steeds € 3 mio. Y en Z verkrijgen de vennootschap en de schuld, ieder voor € 1,5 miljoen. Hun maximumbedrag bedraagt echter de reguliere € 500.000, zodat zij ieder voor € 1 miljoen een fictief regulier voordeel genieten.
Een ander aandachtspunt betreft eigenwoningschulden, die in de basis zijn uitgezonderd van deze regeling. Een schuld die tijdens leven kwalificeerde als eigenwoningschuld kan deze uitzonderingspositie verliezen als de woning na overlijden niet als eigen woning van de (nieuwe) schuldenaar wordt aangemerkt. Als gevolg daarvan kan een eerder uitgezonderde lening alsnog worden betrokken bij de beoordeling of sprake is van een bovenmatige schuld.
Bovenstaande aandachtspunten laten zien dat de samenloop van de excessiefleenregeling en overlijden tot onverwachte uitkomsten kan leiden die lang niet altijd aansluiten bij de beoogde neutraliteit van de regeling.
Mogelijke oplossingen
De peildatum voor de regeling is jaarlijks steeds op 31 december. In veel van de hiervoor beschreven situaties worden erfgenamen daardoor aan het einde van het kalenderjaar van overlijden geconfronteerd met een bovenmatige schuld aan een kort daarvoor geërfde bv. De erflater heeft door het overlijden vaak al in box 2 afgerekend over de reserves van de vennootschap. Indien de erfgenamen vervolgens weer worden belast op grond van de excessiefleenregeling, kan dat economisch bezien neerkomen op dubbele heffing.
Een praktische oplossing kan het zogenaamde overlijdensdividend of superdividend zijn. Hierbij keert de geërfde bv binnen 24 maanden na overlijden (let op, hiervoor gelden een maximering en strenge voorwaarden!) onbelast dividend uit aan de erfgenamen, waarna zij dit dividend gebruiken om een geërfde schuld aan de bv af te lossen. Bij aflossing vóór 31 december van het jaar van overlijden van de dga, kan een fictief regulier voordeel bij de erfgenamen worden voorkomen. Bij aflossing in het tweede jaar kan de heffing ook nog neutraal verlopen. Maar tijdig handelen is hierbij wél essentieel, omdat de mogelijkheden voor verliesverrekening beperkt zijn. Eenzelfde neutraliteit kan onder omstandigheden worden bereikt door de bv te liquideren. Desondanks leidt dit natuurlijk wel tot een liquiditeitsnadeel.
Daarnaast kan de civielrechtelijke verdeling van de nalatenschap van invloed zijn op de toepassing van de excessiefleenregeling. De wijze waarop aandelen, bezittingen en verplichtingen over de erfgenamen worden verdeeld, bepaalt immers wie voor fiscale doeleinden als aanmerkelijk belang-houder en als schuldenaar wordt aangemerkt. Een zorgvuldige verdeling kan soms voorkomen dat schulden bij één persoon samenkomen en daardoor de wettelijke grens van € 500.000 overschrijden. Zolang de nalatenschap onverdeeld is, is in de hoofdregel iedere erfgenaam overigens schuldenaar én ab-houder naar rato van zijn of haar aandeel.
Conclusie
De wetgever heeft met de regeling excessief lenen beoogd de box 2-heffing naar voren te halen, zonder dat per saldo sprake zou moeten zijn van een hogere belastingdruk. In de praktijk blijkt dit uitgangspunt bij (onder anderen) overlijden echter niet altijd werkelijkheid. Met name de beperkte mogelijkheden voor verliesverrekening in box 2 kunnen ertoe leiden dat eerder belaste bovenmatige schulden niet volledig worden gecompenseerd.
Voor dga's met substantiële schulden aan hun eigen bv is het daarom raadzaam de gevolgen van overlijden tijdig in kaart te brengen, zodat op tijd kan worden geanticipeerd op de schuldpositie(s) die dan ontstaan. Mogelijk kan dan dubbele heffing worden voorkomen. Neemt u bij vragen contact op met uw RSM-adviseur.
(1) In 2023 bedroeg de maximale schuld € 700.000