Is uw onderneming een startup of scale-up, of investeert u hierin? Dan is het goed om stil te staan bij het conceptwetsvoorstel voor de fiscale stimulering van optierechten van startups en scale-ups. Dit conceptwetsvoorstel bevat naast wijzigingen voor particuliere investeerders (box 3), ook ingrijpende aanpassingen in de loonbelasting voor werknemers (box 1).

Het conceptwetsvoorstel bevindt zich momenteel nog in de voorbereidende fase, voorafgaand aan advisering door de Raad van State en indiening bij de Tweede Kamer. Daarna zal ook de Eerste Kamer zich nog over het voorstel moeten uitspreken. Hoewel er dus nog verschillende stappen in het wetgevingsproces moeten worden doorlopen, is de beoogde ingangsdatum 1 januari 2027. 

Van 1 tot en met 29 april 2026 heeft het kabinet de gelegenheid geboden om via een internetconsultatie op het conceptwetsvoorstel te reageren. Deze consultatie is inmiddels afgerond en er zijn 69 reacties gepubliceerd. Uit veel reacties blijkt waardering voor het feit dat startups en scale-ups en diens werknemers een fiscaal steuntje in de rug krijgen, maar er zijn ook kritische kanttekeningen bij de huidige vormgeving van het conceptwetsvoorstel. Hier gaan wij in deze bijdrage nader op in, nadat wij de drie belangrijkste elementen uit het conceptwetsvoorstel hebben besproken: de definitie van een startup of scale-up, de voorgestelde wijzigingen ten aanzien van box 1 en die ten aanzien van box 3. 

De definitie: wat is een startup of scale-up? 

Er komt een nieuwe definitie van de begrippen startup en scale-up die van belang is voor de belastingheffing van optierechten in zowel box 1 als box 3. Deze definitie wordt opgenomen in een nieuw artikel 10ba Wet Loonbelasting 1964, waarnaar ook artikel 5.17 Wet Inkomstenbelasting 2001 verwijst. Een startup of scale-up wordt in deze context gedefinieerd als een inhoudingsplichtige:

a.    die een onderneming drijft die gericht is op snelle groei via een schaalbaar en herhaalbaar verdienmodel met een oorsprong in innovatie; 

b.    waarvan het verhandelen van de aandelen of winstbewijzen niet plaatsvindt op een gereguleerde markt; en 

c.    waarvan geen aandelen of winstbewijzen voor meer dan 25% rechtens dan wel in feite (in)direct in handen zijn van een lichaam waarvan de aandelen of winstbewijzen worden verhandeld op een gereguleerde markt. 

Opvallend is dat de definitie hoofdzakelijk open normen bevat. Begrippen als innovatie en schaalbaar en herhaalbaar verdienmodel blijven, ondanks nadere toelichting, in de praktijk moeilijk concreet af te bakenen. Dit kan leiden tot onzekerheid. 

De toetsing of een onderneming aan voornoemde definitie voldoet, ligt bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). De RVO stelt namens de minister van Economische Zaken op verzoek van de onderneming bij beschikking vast of sprake is van een startup of scale‑up. De beschikking geldt vanaf de dagtekening in beginsel voor acht jaar, met de mogelijkheid tot verlenging (maximaal drie keer met vijf jaar), mits nog steeds aan de voorwaarden wordt voldaan. 

Box 1: aandelenopties voor werknemers van startups en scale-ups

Bij veel startups en scale-ups zijn aandelenopties onderdeel van het salarispakket. Hiermee krijgen werknemers de mogelijkheid om op termijn aandelen te verwerven tegen een vooraf vastgestelde (vaak lagere) koopprijs en mee te delen in de waardestijging van de onderneming. Onder de huidige regeling worden aandelenopties die een werknemer van zijn werkgever ontvangt, belast als loon uit dienstbetrekking in box 1. Sinds 1 januari 2023 geldt als hoofdregel dat belastingheffing plaatsvindt op het moment waarop de bij uitoefening verkregen aandelen verhandelbaar worden. In de praktijk blijkt de definitie ‘’verhandelbaar’’ lastig en multi-interpretabel.

De belastinggrondslag wordt in de huidige regeling gevormd door het loonvoordeel dat met de aandelenoptie wordt gerealiseerd. Dit is kortweg het verschil tussen de waarde in het economische verkeer van de verkregen aandelen op het belastbare moment en de door de werknemer betaalde uitoefenprijs. Deze systematiek kan in de praktijk, met name bij snelgroeiende startups of scale-ups tot een aanzienlijke belastingdruk leiden. Tussen het moment van toekenning van de optie en het moment waarop de aandelen uitgeoefend en/of verhandelbaar worden, kan de waarde van de onderneming sterk toenemen. De werknemer wordt dan belast over de volledige waardestijging die is begrepen in het optierecht, waarbij het voordeel wordt belast tegen het progressieve tarief van box 1. De werknemer kan zich dan gedwongen voelen om de verworven aandelen (deels) te verkopen om de verschuldigde belasting te kunnen voldoen. 

Het conceptwetsvoorstel introduceert een gunstigere fiscale behandeling van deze aandelenopties. Deze regeling is van toepassing op aandelenopties van startups of scale - ups die zijn toegekend op of na 17 april 2025 en die de loonsfeer nog niet hebben verlaten. Hierbij moet de RVO-beschikking uiterlijk 31 december 2027 zijn aangevraagd om gebruik te kunnen maken van het overgangsrecht. Overige voorwaarden om het voorgestelde regime te kunnen toepassen zijn dat het optierecht ziet op aandelen in de entiteit van de werkgever, het optierecht niet eerder dan 2 jaar na toekenning is uitgeoefend, en dat de uitoefenprijs minimaal de waarde in het economische verkeer op moment van toekenning vertegenwoordigt.

Heffingsmoment

Het conceptwetsvoorstel poogt het mogelijke liquiditeitsprobleem te repareren door het invoeren van een nieuwe keuzemogelijkheid ten aanzien van het heffingsmoment. De werknemer kan kiezen om belasting te betalen ten tijde van de daadwerkelijke vervreemding van de verkregen aandelen, in plaats van op het moment dat deze aandelen in theorie verhandelbaar worden. Hierdoor sluit het moment van belastingheffing beter aan bij het moment waarop daadwerkelijk liquide middelen beschikbaar zijn om deze belasting te voldoen. 

De werknemer behoudt wel de keuze om een eerder heffingsmoment te hanteren (bijvoorbeeld bij uitoefening of verhandelbaarheid van de aandelen). Deze keuze moet schriftelijk worden vastgelegd en kan gevolgen hebben voor de toepassing van de grondslagversmalling. 

Bij emigratie ontstaat eveneens een heffingsmoment. In dat geval wordt een conserverende aanslag opgelegd, waarbij uitstel van betaling wordt verleend. In de praktijk kan de waardebepaling van de aandelen in deze situaties complex zijn. Het is daarnaast van belang om te benadrukken dat uitdiensttreding op zichzelf geen heffingsmoment vormt, tenzij het aandelenoptieplan leaver-clausules bevat die een bepaalde afwikkeling van het plan voorschrijven.

Grondslagversmalling

De tweede maatregel betreft een grondslagversmalling. Momenteel wordt het voordeel uit aandelenopties onderworpen aan loonbelasting tegen het progressieve tarief (de afbouw van heffingskorting buiten beschouwing gelaten maximaal 49,5%). In vergelijking met andere landen wordt het voordeel uit optierechten daarmee relatief hoog belast. 

Onder de nieuwe regeling wordt slechts 65% van het behaalde voordeel als loon in aanmerking genomen. Hierdoor daalt de effectieve belastingdruk bij een tarief van 49,5% naar circa 32%, het is beoogd om de effectieve belastingdruk meer in lijn te brengen met het tarief in box 2.

Box 3: aandelenopties voor werknemers van startups en scale-ups 

De nieuwe definitie heeft voor box 3 een toegangspoortfunctie tot een afwijkend heffingsregime voor aandelen in startups en scale-ups. Onder het voorgestelde box 3 stelsel geldt vooralsnog op moment van dit schrijven [MB1.1][Md1.2]als hoofdregel een vermogensaanwasbelasting, waarbij belastingplichtigen jaarlijks worden belast over gerealiseerde én ongerealiseerde waardeveranderingen van hun vermogen. Voor aandelen in startups en scale-ups wordt hierop echter een uitzondering gemaakt. Aandelen in ondernemingen die kwalificeren als startup of scale-up zullen worden belast volgens een vermogenswinstbelasting. Hierdoor wordt belastingheffing uitgesteld tot het moment waarop de winst daadwerkelijk wordt gerealiseerd, in plaats van jaarlijkse heffing over ongerealiseerde waardestijgingen. 

De discussie rondom de inrichting van box 3 is nog niet afgerond. De Eerste Kamer heeft de stemming over de nieuwe wet voor belasting in box 3 voorlopig uitgesteld; de Senaat wil eerst meer duidelijkheid over de aangekondigde wijzigingen waar wordt uitgegaan van een vermogensaanwasbelasting met in uitzonderingsgevallen een vermogenswinstbelasting. Indien op termijn wordt overgegaan naar een algehele vermogenswinstbelasting, kan de specifieke uitzondering voor startups en scale-ups aan betekenis verliezen voor de belastingheffing in box 3, omdat het voorgestelde regime dan simpelweg niet meer afwijkt van het reguliere regime. 

Verlies status startup of scale-up

Indien een vennootschap niet langer voldoet aan de voorwaarden of in staat van faillissement verkeert, verliest zij automatisch haar status als startup of scale-up. De vennootschap moet dit binnen vier weken melden bij de RVO, op straffe van een bestuurlijke boete. Statusverlies heeft gevolgen voor het voorgestelde box 3 stelsel. Zo kan bij verlies van de startup  of scale upstatus een fictief vervreemdingsmoment ontstaan, wat leidt tot directe belastingheffing en dus het risico op investeringen in startups en scale-ups niet ten goede komt.

Indien de RVO-beschikking afloopt of haar geldigheid verliest (bijvoorbeeld bij een beursgang), is de reguliere belastingheffing opnieuw van toepassing. De eerder besproken grondslagversmalling geldt dan pro rata voor de periode waarin wel sprake was van een startup of scale-up. 

Knelpunten in voorgestelde wijzigingen

Naar onze mening bevat het conceptwetsvoorstel nog een aantal onduidelijkheden en praktische knelpunten. 

Groepsstructuren verdienen in onze optiek bijzondere aandacht. In de praktijk bestaan startups en scale-ups vaak uit meerdere entiteiten en zijn de optieregelingen ontworpen op groepsniveau, waarbij optierechten betrekking hebben op aandelen in een holdingmaatschappij, ongeacht of de personen formeel werknemer zijn van deze holding of van een andere groepsentiteit. Vooralsnog lijkt het erop dat dergelijke aandelenopties buiten de reikwijdte van de regeling zouden vallen. Werknemers komen immers alleen in aanmerking voor de regeling indien zij opties verkrijgen op aandelen in hun werkgever. Dit zou naar onze mening ruimer moeten worden vormgegeven om onbedoelde uitsluiting van veelvoorkomende groepsstructuren te voorkomen. 

Verder is het ook onduidelijk of ook buitenlandse vennootschappen kunnen kwalificeren als startup of scale-up. Omdat de nieuwe regeling mede is ontworpen om het Nederlandse investeringsklimaat te bevorderen is dit deels te begrijpen, maar tegelijkertijd zou het uitsluiten van buitenlandse structuren de buitenlandse investeerders in Nederlandse startups of scale-ups kunnen afschrikken, waardoor het een averechts effect heeft op het investeringsklimaat. Verder is de uitwerking met betrekking tot werknemers met een internationaal werkpatroon, waarbij de optierechten (deels) in een ander land belast zijn, nog niet volledig helder. 

Daarnaast zien wij het als gemiste kans dat het begrip verhandelbaar niet nader gedefinieerd is, nu dit ook in de huidige regelgeving praktische vragen oproept. Bovendien rijst de vraag waarom het conceptwetsvoorstel uitsluitend ziet op aandelenoptierechten en niet op andere vormen van participatieplannen, hoe er praktisch wordt omgegaan met de minimale termijn van 24 maanden tussen toekenning en uitoefening, en de bepaling van de waarde in het economische verkeer. 

Zoals eerder aangehaald blijkt uit de consultatiereacties dat wordt toegejuicht dat de aandelenoptieregelingen in startups en scale-ups aantrekkelijker worden gemaakt, maar wringt de huidige vormgeving nog op sommige punten. Onder andere zou volgens het RB een deel van de gesignaleerde onduidelijkheden en praktische knelpunten kunnen worden weggenomen door de voorgestelde keuzemogelijkheid af te schaffen. SRA merkt op dat de regeling niet voorziet in een informatieplicht voor de vennootschap richting de (ex-)werknemer indien de vennootschap niet langer voldoet aan de definitie van startup of scale-up en de (ex-)werknemer daardoor terugvalt op de bestaande aandelenoptieregeling. De NOB verzoekt onder meer om verduidelijking omtrent de verhouding tussen de aandelenoptieregeling in de loon- en inkomstenbelastingwet en de aftrekbeperking in de vennootschapsbelastingwet.

Conclusie

Het conceptwetsvoorstel is een dappere stap richting een aantrekkelijkere werkgeverspositie voor innovatieve startups en scale-ups. Ook kunnen particuliere investeerders in kwalificerende startups en scale-ups vooralsnog uitgaan van een vermogenswinstbelasting in box-3, ongeacht hoe het reguliere regime uiteindelijk zal worden vormgegeven. Tegelijkertijd bevat het conceptwetsvoorstel nog een aantal onduidelijkheden en aandachtspunten die naar onze mening om opheldering vragen om het in de praktijk werkbaar te laten zijn. 

Een tijdige analyse van uw huidige structuur en beloningsbeleid is aan te raden om verrassingen te voorkomen. Wij zullen de ontwikkelingen nauwkeurig in de gaten houden. 

Hoe kunnen wij ondersteunen?

 Wij helpen u graag bij het beoordelen van de impact van deze ontwikkelingen, zowel vanuit werknemersperspectief (box 1) als investeerdersperspectief (box 3). Wilt u hierover sparren? Neem dan contact op met onze specialisten binnen RSM.

Heeft u een vraag? Wij nemen zo snel mogelijk contact met u op.