Aanleiding
Hof Amsterdam heeft op 26 maart 2026 geoordeeld dat uitnodigingen tot betaling voor invoer-btw, invoerrechten en rente terecht zijn opgelegd aan een douane-expediteur. De zaak ziet op de invoer van e-commercegoederen via Nederland, waarbij de douane-expediteur gebruikmaakte van haar eigen GPA-vergunning en daarbij het btw-nummer van een logistiek dienstverlener met een artikel 23-vergunning vermeldde.
De uitspraak is relevant voor douanevertegenwoordigers, logistieke dienstverleners, fulfilmentpartijen en ondernemingen die gebruikmaken van artikel 23 Wet OB bij invoer in Nederland. Het Hof maakt duidelijk dat het gebruik van een artikel 23-vergunning niet uitsluitend een administratieve handeling is. De goederen moeten daadwerkelijk bestemd zijn voor de vergunninghouder en de rol van de douanevertegenwoordiger moet correct in de aangifte worden verwerkt.
Feiten en omstandigheden
De belanghebbende is een douane-expediteur die invoer- en uitvoerformaliteiten verzorgt voor klanten. Zij beschikte over een GPA-vergunning waarmee goederen in het vrije verkeer konden worden gebracht via inschrijving in de administratie, gevolgd door periodieke aanvullende aangiften. Deze vergunning was aangevraagd en verleend voor aangiften in eigen naam en voor eigen rekening.
De douane-expediteur verzorgde invoeraangiften voor e-commercegoederen in opdracht van een logistiek dienstverlener. Deze logistiek dienstverlener beschikte over een artikel 23-vergunning. Op basis daarvan kan invoer-btw onder voorwaarden worden verlegd naar de periodieke btw-aangifte van de vergunninghouder, in plaats van dat de btw bij invoer door de Douane wordt geheven.
De logistiek dienstverlener was echter niet de koper of verkoper van de goederen. Zij ontving geen betalingen voor de goederen, de goederen werden niet aan haar gefactureerd en zij gebruikte de goederen niet in het kader van haar eigen bedrijfsactiviteiten. Haar rol bestond uit het organiseren van logistieke diensten, waaronder vervoer, inklaring en verdere distributie naar afnemers in andere EU-lidstaten.
De douane-expediteur beschikte wel over een volmacht om als direct vertegenwoordiger van de logistiek dienstverlener op te treden. In de aangiften werd echter niet verklaard dat zij handelde in naam en voor rekening van de logistiek dienstverlener. In de GPA-aangiften werden wel de gegevens en het btw-nummer van de logistiek dienstverlener opgenomen, waardoor de invoer-btw aanvankelijk niet via een uitnodiging tot betaling werd geheven.
De Douane heeft later vastgesteld dat artikel 23 Wet OB ten onrechte was toegepast en heeft uitnodigingen tot betaling opgelegd aan de douane-expediteur voor invoer-btw, invoerrechten en rente.
Oordeel van het Hof
Het Hof stelt voorop dat artikel 23 Wet OB alleen kan worden toegepast als aan twee cumulatieve voorwaarden is voldaan. De ondernemer moet beschikken over een aanwijzing op grond van artikel 23 Wet OB en de ingevoerde goederen moeten voor die ondernemer zijn bestemd. Als niet aan deze voorwaarden is voldaan, wordt de invoer-btw geheven volgens de normale regels van artikel 22 Wet OB door de Douane.
Volgens het Hof waren de goederen niet bestemd voor de logistiek dienstverlener. De logistiek dienstverlener had de goederen niet uit een derde land betrokken en gebruikte de goederen ook niet in het kader van haar eigen bedrijfsactiviteiten op het moment dat zij Nederland binnenkwamen. Uit de feiten volgde dat zij uitsluitend logistieke diensten verrichtte voor haar opdrachtgevers. Zij kocht de goederen niet, verkocht de goederen niet, ontving geen betalingen voor de goederen en droeg geen economische rol ten aanzien van de goederen.
Het Hof oordeelt daarom dat de artikel 23-vergunning van de logistiek dienstverlener niet kon worden toegepast op deze invoer. Het enkele feit dat een partij over een artikel 23-vergunning beschikt, is onvoldoende. Per invoer moet worden beoordeeld of de goederen daadwerkelijk voor de vergunninghouder zijn bestemd. Een douane-expediteur kan de artikel 23-vergunning van haar klant niet ruimer toepassen dan de vergunninghouder zelf.
Het Hof gaat vervolgens in op de vraag wie als aangever en schuldenaar moest worden aangemerkt. De douane-expediteur stelde dat zij de aangiften had gedaan in naam en voor rekening van de logistiek dienstverlener, zodat de UTB’s niet aan haar maar aan de logistiek dienstverlener hadden moeten worden opgelegd. Het Hof volgt dat standpunt niet.
Hoewel de douane-expediteur beschikte over een volmacht voor directe vertegenwoordiging, had zij in haar aangiften niet verklaard dat zij als direct vertegenwoordiger optrad. Onder het Douanewetboek van de Unie moet een douanevertegenwoordiger in zijn contact met de douaneautoriteiten verklaren dat hij voor rekening van de vertegenwoordigde persoon handelt en daarbij aangeven of sprake is van directe of indirecte vertegenwoordiging. Als die verklaring ontbreekt, wordt de vertegenwoordiger geacht in eigen naam en voor eigen rekening te handelen.
Daarbij was ook van belang dat de GPA-vergunning van de douane-expediteur was aangevraagd en verleend voor aangiften in eigen naam en voor eigen rekening. De aangiften sloten dus aan bij haar eigen positie als aangever, niet bij een positie als direct vertegenwoordiger. Dat de Douane bekend was met het bestaan van een volmacht, maakte dit niet anders. De hoedanigheid van vertegenwoordiger moet uit de aangifte blijken.
Het Hof bevestigt daarom dat de douane-expediteur terecht als aangever en schuldenaar is aangemerkt voor zowel de invoer-btw als de invoerrechten. De UTB’s zijn terecht aan haar opgelegd.
De beroepen op het neutraliteitsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel slagen niet. Volgens het Hof kan het neutraliteitsbeginsel niet afdoen aan de wettelijke voorwaarden voor toepassing van artikel 23 Wet OB. Ook kon de douane-expediteur aan het enkele bestaan van de artikel 23-vergunning geen gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen dat de verleggingsregeling in alle gevallen mocht worden toegepast. Dat de vergunning was verleend en later werd ingetrokken, neemt niet weg dat de goederen in deze situatie niet voor de vergunninghouder waren bestemd.
Impact op de praktijk
Deze uitspraak is een duidelijke waarschuwing voor douanevertegenwoordigers die aangiften doen voor logistieke dienstverleners, fulfilmentpartijen, e-commercebedrijven en platformstructuren. In dergelijke ketens is de partij die de logistiek organiseert niet automatisch de partij voor wie de goederen zijn bestemd.
Douanevertegenwoordigers moeten daarom scherp vaststellen voor wie zij aangifte doen en in welke hoedanigheid zij optreden. Als wordt gehandeld als direct vertegenwoordiger, moet dat expliciet en correct in de aangifte worden vermeld. Een volmacht in het dossier is daarvoor niet voldoende. De aangifte zelf moet duidelijk maken of sprake is van directe of indirecte vertegenwoordiging. Als dat niet gebeurt, kan de vertegenwoordiger zelf als aangever en schuldenaar worden aangemerkt.
Daarnaast moeten douanevertegenwoordigers kritisch toetsen of een artikel 23-vergunning daadwerkelijk kan worden gebruikt. Het is niet voldoende dat de klant beschikt over een artikel 23-vergunning of dat diens btw-nummer in de aangifte wordt opgenomen. De goederen moeten daadwerkelijk bestemd zijn voor de vergunninghouder. Daarbij moet worden gekeken naar de feitelijke en commerciële rol van de betrokken partij: koopt zij de goederen, verkoopt zij de goederen, draagt zij het economische belang, worden de goederen aan haar gefactureerd en gebruikt zij de goederen in haar bedrijfsactiviteiten?
Voor logistieke dienstverleners ligt hier eveneens een belangrijk aandachtspunt. Als zij alleen optreden als logistieke schakel, zonder dat zij de goederen zelf betrekken of gebruiken, kan hun artikel 23-vergunning niet zonder meer worden gebruikt voor goederenstromen van derden. Dat geldt ook als zij operationeel betrokken zijn bij transport, inklaring en distributie.
De uitspraak onderstreept dat importprocessen niet alleen fiscaal, maar ook douanetechnisch goed moeten worden ingericht. De combinatie van GPA-aangiften, artikel 23-verlegging en vertegenwoordiging vraagt om een sluitende beoordeling vooraf. Als de gebruikte vergunning, de feitelijke goederenstroom en de aangiftegegevens niet op elkaar aansluiten, kan de financiële exposure aanzienlijk zijn.
Actiepunten
Ondernemingen en douanevertegenwoordigers doen er goed aan hun invoerprocessen op de volgende punten te controleren:
- Wordt per goederenstroom vastgesteld wie de daadwerkelijke bestemmeling van de goederen is?
- Wordt bij gebruik van artikel 23 Wet OB gecontroleerd of de goederen daadwerkelijk voor de vergunninghouder zijn bestemd?
- Sluit de gebruikte douanevergunning aan bij de rol waarin de aangifte wordt gedaan?
- Wordt in de aangifte duidelijk vermeld of sprake is van directe of indirecte vertegenwoordiging?
- Zijn volmachten, klantinstructies en aangifteprofielen consistent met de feitelijke goederenstroom?
- Is bij logistieke dienstverleners voldoende duidelijk of zij optreden als importeur, vertegenwoordigde partij of uitsluitend als logistieke dienstverlener?
RSM-visie
Deze uitspraak bevestigt dat de Douane bij invoer streng kijkt naar de formele én materiële voorwaarden voor toepassing van artikel 23 Wet OB en douanevertegenwoordiging. Het risico ligt niet alleen bij de vraag of invoer-btw uiteindelijk aftrekbaar zou zijn. Het risico ontstaat al eerder, namelijk bij de vraag of de juiste partij als aangever is vermeld, of de juiste vergunning wordt gebruikt en of de vertegenwoordiging correct in de aangifte is verwerkt.
Voor douanevertegenwoordigers betekent dit dat zij niet blind kunnen varen op klantinstructies, btw-nummers of vergunningen. Zij moeten hun rol in de aangifte actief beheersen en vastleggen. Voor bedrijven die importstructuren gebruiken via logistieke dienstverleners betekent dit dat zij hun artikel 23-positie opnieuw moeten toetsen aan de feitelijke goederenstroom.
Een praktische review van importflows, artikel 23-gebruik, GPA-processen, volmachten en aangifteprofielen is daarom aan te bevelen. Zeker bij e-commerce, fulfilment en high-volume importstromen kan een onjuiste inrichting leiden tot aanzienlijke UTB’s voor invoer-btw, invoerrechten en rente.