In een recente uitspraak van 5 augustus 2026 heeft het Hof Den Haag geoordeeld over de zakelijkheid van diverse vergoedingen voor intragroepfinanciering. Deze uitspraak is niet alleen relevant voor de transfer pricing-onderbouwing van dergelijke vergoedingen, maar ook voor de toepassing van omkering en verzwaring van de bewijslast. Het Hof oordeelt dat een onvoldoende en niet tijdig beschikbare onderbouwing, gecombineerd met aanzienlijke afwijkingen van een zakelijke prijsstelling, ertoe kan leiden dat niet de vereiste aangifte is gedaan.

De financiële gevolgen kunnen aanzienlijk zijn. In deze zaak bedroegen de correcties onder de normale bewijsregels circa € 303 miljoen. Na omkering van de bewijslast liep dit op tot circa € 380 miljoen.

Wat moest het Hof hier beoordelen?

Belanghebbende had binnen haar concern omvangrijke bedragen geleend voor de financiering van investeringen en acquisities. Naast rente over deze leningen werden ook headroom fees (voor de beschikbare, maar nog niet opgenomen financieringsruimte) en commitment fees (voor het beschikbaar houden van de financieringsruimte) in rekening gebracht.

In geschil was:

  1. welke vergoeding onafhankelijke partijen onder vergelijkbare omstandigheden voor de betreffende financieringsfaciliteiten zouden zijn overeengekomen; en
  2. of gebreken in de transfer pricing-onderbouwing van belanghebbende meebrachten dat niet de vereiste aangiften waren gedaan, met eventueel omkering en verzwaring van de bewijslast tot gevolg.

Totale financieringskosten bij intragroepfinanciering

Het Hof geeft aan dat headroom en commitment fees niet per definitie onzakelijk zijn, maar dat de zakelijkheid hiervan moet worden beoordeeld op basis van de totale financieringskosten en de omstandigheden waaronder onafhankelijke partijen een dergelijke faciliteit zouden zijn aangegaan.

Zakelijkheid van de financieringsvergoeding vooraf beoordelen

Het Hof benadrukt dat de zakelijkheid van de financieringsvergoeding ex ante (vooraf) moet worden beoordeeld. Doorslaggevend is wat onafhankelijke partijen op het moment van het aangaan van de financiering redelijkerwijs konden verwachten. Latere ontwikkelingen, zoals de werkelijk opgetreden renteontwikkeling, mogen daarbij geen rol spelen.

Achteraf opgestelde analyses kunnen als bewijs dienen, maar tonen niet automatisch aan dat de belastingplichtige bij het aangaan van de transactie of bij het indienen van de aangifte al de zakelijkheid van de financieringskosten voldoende had onderbouwd.

Kredietwaardigheid en vergelijkbaarheidsanalyse

Het Hof hecht veel belang aan een zorgvuldige kredietwaardigheidsanalyse met daarbij een benchmarkstudie waarin ten minste rekening moet worden gehouden met:

  • de kredietwaardigheid van de schuldenaar en relevante expliciete en impliciete groepssteun;
  • valuta, looptijd en zekerheden;
  • vestigingsland, geografische markt en sector;
  • bedrijfskenmerken en economische omstandigheden op transactiedatum; en
  • een cijfermatige onderbouwing van toegepaste vergelijkbaarheidscorrecties.

Volgens het Hof schoten deze analyses van belanghebbende tekort doordat onvoldoende rekening was gehouden met verschillen in kredietwaardigheid en vestigingsland. Bepaalde vergelijkbaarheidscorrecties waren in de visie van het Hof onvoldoende cijfermatig onderbouwd en aan de indicatieve bankquotes kwam slechts beperkte bewijskracht toe. Ook vond het Hof niet aannemelijk dat de relevante kredietwaardigheidsanalyses tijdig beschikbaar waren, oftewel op het moment van aangaan van de transactie.

Het Hof merkte hierbij op dat voor de kredietwaardigheidsanalyse van belanghebbende de kredietwaardigheid van de tophoudster in de groep niet bepalend is. De kredietwaardigheid van belanghebbende als de inlenende partij is het uitgangspunt, waarbij wel rekening moet worden gehouden met relevante expliciete en impliciete groepssteun. De analyses van belanghebbende boden echter onvoldoende basis voor een adequate zakelijke onderbouwing van de omvang van de daadwerkelijk gehanteerde vergoedingen.

Bewijslast: inspecteur moet zakelijkheid aannemelijk maken

Het enkele feit dat een transfer pricing-analyse van de belastingplichtige tekortschiet, betekent niet automatisch dat de winstcorrecties die de inspecteur heeft aangebracht juist zijn. Onder de normale bewijsregels moet de inspecteur aannemelijk maken dat de overeengekomen vergoedingen buiten de zakelijke bandbreedte vallen.

Het eerder door de inspecteur aangedragen vergelijkingsmateriaal was ook onvoldoende, maar in de tussenuitspraak werd de inspecteur door het Hof in de gelegenheid gesteld om aanvullende gegevens aan te dragen. Op basis van de aanvullende informatie sloot het Hof aan bij de voor belanghebbende meest gunstige uitkomst en corrigeerde naar de bovengrens van de zakelijke bandbreedte van de herziene benchmarkanalyse. Een correctie naar de mediaan gaat dan verder dan noodzakelijk, omdat de gehele bandbreedte als zakelijk geldt.

Wanneer is sprake van een onjuiste aangifte?

Voor de conclusie dat belastingplichtige niet de vereiste aangifte heeft gedaan, is het niet voldoende dat een verrekenprijs achteraf onzakelijk blijkt.

Er moet sprake zijn van:

  • een inhoudelijk onjuiste aangifte;
  • een absoluut aanzienlijk bedrag aan belasting dat hierdoor niet is geheven;
  • een niet-geheven belastingbedrag dat relatief aanzienlijk is ten opzichte van de verschuldigde belasting; en
  • wetenschap of kenbaarheid van de onjuiste aangifte bij de belastingplichtige.

Nadat de inspecteur met de aanvullende benchmarkanalyse aan de normale bewijslast had voldaan, was aangetoond dat de gehanteerde rente en overige vergoedingen voor de groepsleningen aanzienlijk boven de zakelijke bandbreedte lagen en beoordeelde het Hof of ook aan het bewustzijnsvereiste was voldaan.

Bewustzijnsvereiste bij een onjuiste aangifte

Het Hof kende veel gewicht toe aan de kwaliteit en tijdigheid van de beschikbare TP-documentatie. Omdat de documentatie belangrijke tekortkomingen vertoonde en relevante kredietwaardigheidsanalyses niet tijdig beschikbaar waren, kon belanghebbende volgens het Hof niet zorgvuldig vaststellen of de gehanteerde vergoedingen zakelijk waren en had zij daarmee op zijn minst lichtvaardig aangifte gedaan.

Van een grote internationaal opererende onderneming mag een hoger niveau van zorgvuldigheid worden verwacht. Bij een zorgvuldig onderzoek zouden betere comparables zijn gevonden, waaruit duidelijk zou zijn gebleken dat de gehanteerde tarieven boven de zakelijke bandbreedte lagen. Het Hof concludeerde daarom dat belanghebbende had kunnen weten dat de ingediende aangifte onjuist was.

Transfer pricing is geen exacte wetenschap

Het Hof onderschrijft wel dat transfer pricing geen exacte wetenschap is en dat er bij het bepalen van een arm’s-lengthvergoeding noodzakelijkerwijs beoordelingsruimte bestaat. Maar gelet op de veel hogere financieringslasten in belanghebbendes aangifte ten opzichte van de bovengrens van een zakelijke bandbreedte van de benchmarkanalyse, was daarmee naar het oordeel van het Hof het maximaal aftrekbare bedrag al bereikt.

Gevolgen van omkering en verzwaring van de bewijslast

Het bewust indienen van een onjuiste aangifte leidde tot omkering van de bewijslast. Hierdoor hoefde de inspecteur niet langer volgens de normale bewijsregels aannemelijk te maken wat de zakelijke financieringsvergoeding was. Voldoende was dat de correctie berustte op een redelijke en niet-willekeurige schatting. Vervolgens moest belanghebbende overtuigend aantonen dat deze schatting onjuist was, maar zij slaagde daar niet in.

Betekenis voor de praktijk

De uitspraak bevestigt dat de aanwezigheid van een transfer pricing-rapport op zichzelf niet voldoende is. De onderliggende economische en financiële analyse moet inhoudelijk betrouwbaar zijn, gebaseerd zijn op de omstandigheden waaronder de transactie wordt aangegaan en beschikbaar zijn op het moment waarop de aangifte wordt ingediend.

Voor een aanvaardbare onderbouwing van de vergoedingen voor concernfinancieringen moet rekening worden gehouden met:

  • de kredietwaardigheid van de schuldenaar en expliciete en impliciete groepssteun;
  • de economische noodzaak en omvang van de headroom;
  • de verwachte benutting van de kredietruimte;
  • de selectie en afwijzing van comparables;
  • verschillen in valuta, looptijd, land, sector en zekerheden;
  • de onderbouwing van vergelijkbaarheidscorrecties;
  • op transactiedatum beschikbare marktgegevens en forward rates; en
  • de aansluiting tussen de analyse, de financieringsovereenkomst en de belastingaangifte.

Deze uitspraak betekent echter niet dat iedere gebrekkige benchmarkstudie van de zijde van de belastingplichtige automatisch leidt tot omkering van de bewijslast. De inspecteur moet eerst aantonen dat sprake is van een materieel onjuiste aangifte en dat die onjuistheid heeft geleid tot een aanzienlijk belastingtekort. Pas daarna komt de vraag aan de orde of de belastingplichtige die onjuistheid kende of had behoren te kennen.

De kernboodschap is dat een transfer pricing-analyse tijdig beschikbaar en inhoudelijk verdedigbaar moet zijn. Ontbreekt een dergelijke onderbouwing, dan kan dat niet alleen leiden tot transfer pricing-correcties, maar in ernstige gevallen ook tot omkering en verzwaring van de bewijslast, met potentieel grote financiële gevolgen.

Vragen over transfer pricing en TP-documentatie?

Wilt u weten of uw TP-administratie in orde is? Of heeft u andere vragen over verrekenprijzen? Neemt u dan contact op met uw RSM-adviseur.

Waarmee kunnen we u helpen?

Met dit formulier vragen wij uw contactgegevens zodat wij contact met u op kunnen nemen. Uw gegevens worden nooit aan derden verstrekt. Zie onze Privacyverklaring om te zien hoe wij met uw gegevens omgaan.