Het Gerechtshof Den Haag heeft op 22 januari 2026 (ECLI:NL:GHDHA:2026:139) een uitspraak gedaan die relevant is voor ondernemingen die goederen leveren onder schorsing van accijns. In deze zaak weigerde de Belastingdienst het btw nultarief toe te passen omdat een BV, die haar goederen uitsluitend binnen een accijnsgoederenplaats in Nederland leverde maar feitelijk buiten Nederland werd geleid, geen fiscaal vertegenwoordiger had aangesteld. De daaropvolgende naheffingsaanslagen zijn door het Hof vernietigd.

De uitspraak 

Het Hof stelt vast dat de BV weliswaar een belastingplichtige is, maar dat de btw vestigingsplaats wordt bepaald door de plaats waar de centrale bestuurstaken feitelijk worden uitgeoefend. Operationele activiteiten in Nederland, zoals opslag, voorraadinspecties en klantcontact, kwalificeren niet als centrale bestuurstaken. Omdat niet aannemelijk was dat bestuursbesluiten in Nederland werden genomen, werd de BV terecht als buitenlandse ondernemer aangemerkt. Het Hof oordeelt daarnaast dat evenmin sprake was van een vaste inrichting in Nederland: de BV beschikte niet over personeel of middelen waarover zij als eigen middelen kon beschikken, en de activiteiten die in Nederland plaatsvonden waren volledig operationeel van aard. Tegelijkertijd bevestigt de uitspraak dat het voor een buitenlandse BV juist wél relevant is om de feitelijke leiding in Nederland te hebben om voor de btw als Nederlands belastingplichtige te kwalificeren; zonder daadwerkelijke leiding in Nederland ontbreekt zowel vestiging als vaste inrichting.

Vervolgens beoordeelt het Hof of het ontbreken van een fiscaal vertegenwoordiger het recht op het nultarief kan blokkeren. Het Hof oordeelt dat de verplichting voor buitenlandse ondernemers om een fiscaal vertegenwoordiger aan te stellen leidt tot een ongerechtvaardigde ongelijke behandeling ten opzichte van Nederlandse ondernemers. De verplichting brengt kosten en administratieve lasten met zich mee die binnenlandse ondernemers niet kennen. Omdat met het land van feitelijke leiding een rechtsinstrument voor wederzijdse bijstand bestaat, ontbreekt volgens het Hof een rechtvaardiging om buitenlandse ondernemers zwaarder te belasten of aanvullende verplichtingen op te leggen. Opmerkelijk is dat het Hof hierbij aansluit bij discriminatie jurisprudentie uit de directe belastingen en deze lijn doortrekt naar de btw.

Daarnaast benadrukt het Hof dat de materiële voorwaarden voor het nultarief volledig waren vervuld. De goederen bleven aantoonbaar onder schorsing van accijns en werden niet tot verbruik uitgeslagen. Het ontbreken van een fiscaal vertegenwoordiger is in dat licht een formeel vereiste dat niet mag verhinderen dat het nultarief wordt toegepast wanneer de materiële voorwaarden overtuigend zijn aangetoond.

Impact op de praktijk 

Deze uitspraak kan gevolgen hebben voor ondernemingen die goederen leveren onder schorsing van accijns en die door de Belastingdienst als buitenlands belastingplichtig worden aangemerkt. Het Hof maakt duidelijk dat het nultarief niet mag worden geweigerd wanneer de materiële voorwaarden zijn vervuld en er een rechtsinstrument voor wederzijdse bijstand bestaat. Tegelijkertijd onderstreept de uitspraak dat de btw vestigingsplaats uitsluitend wordt bepaald door feitelijke leiding en niet door rechtsvorm, KvK inschrijving of operationele aanwezigheid in Nederland. Het blijft echter de vraag of de Hoge Raad deze redenering in stand zal laten. 

De uitspraak raakt aan bredere beginselen van gelijke behandeling en wederzijdse bijstand binnen de EU, en zou, indien bevestigd, ook buiten de context van leveringen onder schorsing van accijns kunnen doorwerken. De komende periode zal moeten blijken of cassatie wordt ingesteld en hoe de hoogste rechter zich hierover uitlaat.
 

Heeft u een vraag? Wij nemen zo snel mogelijk contact met u op.