Op 18 november 2025 publiceerde de OESO een update van de commentaar bij het OESO-Modelverdrag. Deze update betreft verschillende bepalingen van het Modelverdrag, waaronder artikel 5 inzake de vaste inrichting. Sinds de COVID-19-pandemie (2020) en de normalisering van structureel thuiswerk, rijst de vraag in welke mate grensoverschrijdend telewerk aanleiding kan geven tot het bestaan van een vaste inrichting in hoofde van de werkgever. De recente commentaar tracht in dat verband een aantal beoordelingscriteria te structureren en te verduidelijken, in het bijzonder met betrekking tot het gebruik van een thuiskantoor door werknemers in een andere staat dan die van de werkgever.
Afbakening van het toepassingsgebied
In de recente commentaren wordt niet langer uitsluitend verwezen naar het klassieke thuiskantoor in enge zin. De OESO gebruikt bewust een ruimere formulering en spreekt over “a home or other relevant place”. Daarmee wordt aangegeven dat de analyse niet beperkt is tot een afzonderlijke werkkamer in de privéwoning, maar betrekking kan hebben op elke plaats van waaruit een werknemer structureel ondernemingsactiviteiten verricht.
Daarnaast benadrukken de commentaren dat de beoordeling moet gebeuren op basis van de feiten en omstandigheden die van toepassing zijn gedurende een bepaalde periode, en niet op basis van vroegere of toekomstige situaties. De analyse is dus tijdsgebonden en concreet: men kijkt naar de feitelijke realiteit tijdens de relevante referentieperiode.
Verder wordt opnieuw bevestigd dat, zelfs wanneer aan de structurele voorwaarden van artikel 5, §1 is voldaan, nog steeds moet worden nagegaan of de uitzondering voor voorbereidende of ondersteunende werkzaamheden toepassing vindt. Dit principe is niet nieuw, maar wordt in de context van thuiswerk expliciet in herinnering gebracht. Indien de activiteiten die vanuit de woning of andere relevante plaats worden verricht louter van voorbereidende of ondersteunende aard zijn, zal geen vaste inrichting ontstaan.
De tweestapstoets
De OESO-commentaar 2025 introduceert een duidelijkere beoordelingsmethodiek voor situaties waarin een werknemer vanuit zijn woning of een andere relevante plaats werkzaamheden verricht. Daarbij wordt gewerkt met een tweestapsanalyse.
1. Het 50%-criterium
In een eerste fase wordt nagegaan in welke mate de werknemer effectief vanuit zijn woning werkt. Indien de werknemer minder dan 50% van zijn totale werktijd (gemeten over een periode van twaalf maanden) vanuit de woning verricht, zal die plaats in beginsel niet worden beschouwd als een bedrijfsinrichting van de onderneming.
Het 50%-criterium fungeert evenwel niet als een formele drempel of safe harbour. Het betreft een indicatief aanknopingspunt dat de verdere analyse structureert. Wordt de grens van 50% overschreden, dan leidt dit niet automatisch tot het bestaan van een vaste inrichting, maar is een verdere analyse vereist.
Belangrijk is dat de beoordeling gebeurt op basis van de feitelijke werkorganisatie en niet louter op grond van contractuele afspraken. De commentaren benadrukken dat de daadwerkelijke uitoefening van de werkzaamheden doorslaggevend is.
2. De commerciële redenen
Indien de werknemer 50% of meer van zijn werktijd vanuit de woning werkt, moet vervolgens worden onderzocht of er commerciële redenen bestaan voor de aanwezigheid van de werknemer in die staat.
De centrale vraag luidt of de onderneming er een zakelijk belang bij heeft dat de werknemer vanuit die specifieke locatie werkt. Anders geformuleerd: zou de onderneming, indien de woning niet beschikbaar was, zelf een locatie in die staat moeten huren of aanhouden om haar activiteiten te kunnen uitoefenen?
Commerciële redenen kunnen onder meer aanwezig zijn wanneer de fysieke aanwezigheid van de werknemer op continue basis bijdraagt tot:
- het onderhouden of ontwikkelen van klantenrelaties;
- het betreden of bedienen van een lokale markt;
- het beheren van leveranciers of zakelijke partners;
- het verrichten van kernactiviteiten van de onderneming.
Daarentegen volstaat het loutere feit dat zich in die staat klanten of leveranciers bevinden niet. Evenmin is het bestaan van een verschillend tijdszone op zich doorslaggevend. Wanneer de werknemer uitsluitend om persoonlijke redenen vanuit zijn woning werkt en de onderneming geen commercieel belang heeft bij die locatie, zal de plaats in principe niet als een bedrijfsinrichting van de onderneming worden aangemerkt.
De beoordeling in twee onderdelen maakt aldus duidelijk dat niet enkel de kwantitatieve omvang van het thuiswerk relevant is, maar vooral de kwalitatieve band tussen de onderneming en de staat van waaruit de activiteiten worden verricht.
Besluit
Hoewel de OESO met de update van 2025 een duidelijker beoordelingskader introduceert, blijft de kwalificatie van een thuiskantoor als vaste inrichting sterk afhankelijk van de concrete feiten. Het 50%-criterium biedt richting, maar vormt geen harde grens. Uiteindelijk zal vooral de vraag naar het commerciële belang van de onderneming doorslaggevend zijn.
De praktijk zal moeten uitwijzen in welke mate belastingadministraties deze nieuwe accenten strikt dan wel genuanceerd toepassen. Wat vaststaat, is dat structureel grensoverschrijdend telewerk een element is geworden dat bij de beoordeling van vaste-inrichtingsrisico’s systematisch moet worden meegenomen.
Voor eventuele vragen over bovenstaande onderwerpen kan je je wenden tot het Tax-team van RSM Belgium via tax@rsmbelgium.be.