Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in zaak T 638/24 (Finanzamt Österreich / D GmbH) een uitspraak gedaan die voor veel internationaal handelende ondernemingen een wake up call is. De zaak laat zien hoe één administratieve fout – het gebruiken van het verkeerde btw nummer – kan leiden tot btw heffing op twee fronten, zelfs wanneer de goederen nooit in de lidstaat van dat nummer aankomen. Het Hof bevestigt dat dit juridisch volledig juist is en dat het risico volledig bij de ondernemer ligt. Daarmee wordt opnieuw duidelijk dat btw nummergebruik geen formaliteit is, maar een essentieel onderdeel van het intracommunautaire systeem.
De casus: wanneer het verkeerde nummer grote gevolgen heeft
D GmbH, een Oostenrijkse onderneming, kocht goederen in Oostenrijk en liet die rechtstreeks naar andere EU lidstaten vervoeren. In een normale situatie zou de Oostenrijkse leverancier het 0%-tarief voor een intracommunautaire levering toepassen, gevolgd door een intracommunautaire verwerving door de afnemer in de lidstaat van aankomst. D GmbH had echter geen geldig btw nummer in de lidstaat van aankomst. Zij gaf daarom haar Oostenrijkse btw nummer door aan de leveranciers.
De leveranciers besloten Oostenrijkse btw in rekening te brengen. D GmbH was van mening dat deze btw aftrekbaar was in haar Oostenrijkse btw-aangifte. De Oostenrijkse Belastingdienst stelde echter dat sprake was van een intracommunautaire levering tegen het 0%-tarief. De jaren van het geding liggen vóór de quick fixes (vanaf 2020 is het namelijk een materieel vereiste voor het 0%-tarief om een geldig btw-nummer te hebben van de afnemer, dat niet is toegekend door het land van vertrek van de goederen). De btw op de factuur was dus alleen verschuldigd vanwege de vermelding op de factuur, er is dus sprake van onterecht in rekening gebrachte btw.
Deze onterecht in rekening gebrachte btw is niet aftrekbaar en moet via een administratieve procedure van een lidstaat hersteld worden.
Het tweede effect: een nummerverwerving in Oostenrijk
Het gebruik van het Oostenrijkse btw nummer had echter nog een tweede, veel minder zichtbare maar minstens zo kostbare consequentie. In de btw systematiek geldt dat wanneer een afnemer een btw nummer van een bepaalde lidstaat gebruikt, die lidstaat ervan uitgaat dat daar een intracommunautaire verwerving plaatsvindt (nummerverwerving), tenzij de afnemer kan aantonen dat de verwerving in de lidstaat van aankomst is belast. D GmbH kon dat bewijs niet leveren. Daardoor ontstond in Oostenrijk een nummerverwerving: een intracommunautaire verwerving die puur voortvloeit uit het gebruik van het Oostenrijkse btw nummer, ook al was Oostenrijk het land van vertrek van de goederen en niet het land van aankomst van de goederen. Het Hof bevestigt dat dit juridisch volledig klopt. De regels over de plaats van de verwerving en de regels over btw die verschuldigd wordt door factuurvermelding zijn twee gescheiden sporen die naast elkaar kunnen bestaan. Dat de leverancier btw verschuldigd is omdat hij onterecht btw in rekening brengt (die in beginsel niet aftrekbaar is voor de afnemer), verhindert niet dat de afnemer óók (nummer)verwervingsbtw verschuldigd is in de lidstaat van vertrek.
Dubbele heffing: juridisch toegestaan, economisch pijnlijk
Het gevolg is dat in dezelfde keten twee btw schulden ontstaan: de leverancier moet btw afdragen omdat hij die onterecht in rekening heeft gebracht (niet aftrekbaar in beginsel voor de afnemer), en de afnemer moet btw betalen omdat hij een nummerverwerving heeft verricht. Zelfs wanneer de leverancier de factuur later corrigeert, blijft het risico bestaan dat de afnemer in de tussentijd (nummer)verwervingsbtw verschuldigd is. Het Hof vindt dit niet in strijd met het neutraliteitsbeginsel, omdat de foutief gefactureerde btw in principe kan worden hersteld. Maar in de praktijk is dat vaak lastiger dan het in theorie klinkt: leveranciers willen niet altijd corrigeren, lidstaten hanteren verschillende teruggaafprocedures en discussies over bewijs van aankomst kunnen lang duren.
Waarom dit ertoe doet voor de praktijk
Deze uitspraak laat zien hoe kwetsbaar internationale handel is voor administratieve details. Communicatie aan de leverancier van een verkeerd btw nummer lijkt een kleine fout, maar kan grote financiële gevolgen hebben. Ondernemingen die goederen grensoverschrijdend verplaatsen, moeten daarom scherp zijn op het gebruik van het juiste btw nummer, het tijdig aanvragen van een nummer in de lidstaat van aankomst en het zorgvuldig vastleggen van bewijs dat de goederen daar daadwerkelijk zijn aangekomen. In een systeem waarin de btw heffing in verschillende lidstaten van elkaar afhankelijk is, kan één ontbrekend nummer al genoeg zijn om de afnemer met onnodige dubbele btw op te zadelen.
Situatie na quick fixes
De jaren van het geding liggen vóór de quick fixes. Vanaf 1 januari 2020 is het een materieel vereiste om een geldig btw-nummer te hebben van de afnemer, dat niet is toegekend door het land van vertrek van de goederen.
Wanneer in een vergelijkbaar feitencomplex ná quick fixes de afnemer geen geldig btw-nummer heeft, zal onzes inziens terecht btw in rekening gebracht worden door de leverancier aan de afnemer. Daardoor lijkt geen sprake te zijn van onterecht in rekening gebrachte btw. Deze in rekening gebrachte btw zal dan ook aftrekbaar behoren te zijn voor de afnemer. In de praktijk is het daarentegen voor te stellen dat belastingautoriteiten van de verschillende lidstaten deze aftrek weigeren.
De vraag of ná de quick fixes een nummerverwerving plaatsvindt in een vergelijkbare situatie staat nog open. Gelet op een eerdere Poolse zaak van het Hof van Justitie (C-696/20) kan een nummerverwerving mogelijk achterwege gelaten worden. Deze zaak is echter ook gewezen vóór de quick fixes waardoor het niet uit te sluiten valt dat alsnog een nummerverwerving plaatsvindt wanneer een vergelijkbaar feitencomplex zich afspeelt vanaf het jaar 2020 en latere jaren.