Op 27 maart 2026 heeft de Hoge Raad een arrest gewezen over de reikwijdte van de oude splitsingsvrijstelling in de overdrachtsbelasting. Centraal stond de vraag of deze vrijstelling ook kan worden toegepast op de verkrijging van aandelen in een onroerendezaakrechtspersoon in de zin van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (OZR) die bij een juridische splitsing worden uitgegeven. Het arrest ziet op de toepassing van de splitsingsvrijstelling zoals die gold tot 1 juli 2025. Daarmee is het arrest in beginsel relevant voor splitsingen die vóór die datum hebben plaatsgevonden. Het is echter de vraag of dit arrest ook gevolgen zal hebben voor de toepassing van de huidige splitsingsvrijstelling in de overdrachtsbelasting.
Feiten
Twee aandeelhouders (X BV en D BV) hielden elk 50% van de aandelen in A BV, die in Nederland en Duitsland vastgoed bezat. Op grond van zakelijke overwegingen werd gekozen voor een zuivere juridische splitsing van A BV, waarbij deze vennootschap ophield te bestaan en haar vermogen overging naar twee nieuwe vennootschappen, namelijk B BV en Z BV. X BV (hierna: belanghebbende) werd als gevolg van de splitsing enig aandeelhouder van de nieuw opgerichte vennootschap B BV. In B BV werden de onroerende zaken ondergebracht, waardoor deze kwalificeerde als een OZR.
Niet ter discussie stond of de verkrijging van het vastgoed door B BV was vrijgesteld op grond van de splitsingsvrijstelling. Wel was in geschil of die vrijstelling ook gold voor de verkrijging van de aandelen in de OZR die in het kader van de splitsing aan belanghebbende werden uitgereikt. De inspecteur stelde zich op het standpunt dat de splitsingsvrijstelling uitsluitend ziet op de overgang van de onroerende zaken onder algemene titel en niet op de verkrijging van de bij een splitsing uitgereikte aandelen.
Oordeel Hof en Hoge Raad
Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch oordeelde al eerder dat de relevante wet- en regelgeving geen aanknopingspunten biedt om de vrijstelling zo beperkt uit te leggen. De Hoge Raad gaat hierin mee en overweegt dat de wettekst in algemene bewoordingen voorziet in een vrijstelling van de “verkrijging bij splitsing’’. Een juridische splitsing brengt per definitie met zich mee dat aandelen worden uitgegeven en verkregen. Die aandelenverkrijging is daarmee een onlosmakelijk onderdeel van de splitsing en kwalificeert daarom als een verkrijging bij splitsing.
Daarnaast zoekt de Hoge Raad aansluiting bij doel en strekking van de vrijstelling. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de splitsingsvrijstelling onderdeel is van een bredere fiscale begeleiding van juridische splitsingen. Het uitgangspunt daarbij is dat splitsingen die zijn ingegeven door zakelijke overwegingen niet door belastingheffing mogen worden belemmerd. Daarbij heeft de wetgever niet alleen oog gehad voor de bij de splitsing betrokken vennootschappen, maar ook voor de positie van de aandeelhouders. De Hoge Raad ziet geen enkele aanwijzing dat de wetgever bij de invoering van de vrijstelling een uitzondering heeft willen maken voor aandelen in een OZR die bij een splitsing worden verkregen.
De nieuwe splitsingsvrijstelling per 1 juli 2025
Met ingang van 1 juli 2025 is de splitsingsvrijstelling in de overdrachtsbelasting ingrijpend gewijzigd. Daarin is bepaald dat de vrijstelling ook van toepassing is op de verkrijging van aandelen in een OZR die bij de splitsing worden uitgereikt. Hierbij wordt expliciet de voorwaarde gesteld dat op vennootschapsniveau onroerende zaken onder algemene titel overgaan.
Dit betekent dat voor de aandeelhouder alleen een vrijstelling kan gelden voor de verkrijging van aandelen in een OZR die als gevolg van de splitsing worden uitgegeven, indien ook aan de voorwaarden voor de splitsingsvrijstelling bij de verkrijgende vennootschap wordt voldaan. Indien bij een juridische splitsing wel aandelen in een OZR worden uitgereikt, maar géén onroerende zaken onder algemene titel overgaan, leidt dit onder de huidige regeling dus tot heffing van overdrachtsbelasting. Gedacht kan worden aan de situatie waarbij een OZR in het kader van een juridische splitsing als verkrijgende vennootschap optreedt, daarbij geen onroerende zaken verkrijgt, maar wel aandelen uitreikt. Daarmee heeft de wetgever de reikwijdte van de splitsingsvrijstelling vanaf 1 juli 2025 beperkt ten opzichte van het oude recht waarop het arrest betrekking heeft.
Dit kan ertoe leiden dat ook bij herstructureringen die vanuit bedrijfseconomisch oogpunt wenselijk zijn, overdrachtsbelasting wordt geheven. Daarmee ontstaat spanning met het door de Hoge Raad benadrukte uitgangspunt dat belastingregels zakelijke herstructureringen niet mogen belemmeren. Het is de vraag of de wetgever deze beperking in de toekomst nog zal evalueren, om te voorkomen dat belastingregels een drempel vormen voor zakelijke herstructureringen.
Neem voor vragen over dit onderwerp contact op met RSM Vastgoed.