De Hoge Raad wijst de wetgever terecht: Vermogensrendementsheffing box 3 voor 2017 en 2018 in strijd met het eigendomsrecht en discriminatieverbod

Op 24 december heeft de Hoge Raad geoordeeld dat er geen toereikende rechtvaardiging is voor het forfaitaire stelsel ter bepaling van de heffingsgrondslag voor het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen in box 3 van de inkomstenbelasting.

De sinds 2017 gehanteerde ‘vermogensmix’

Sinds het jaar 2017 wordt voor de bepaling van de grondslag voor de belastingheffing over privévermogen verondersteld dat een deel van het vermogen belegd wordt en een deel gespaard wordt. Daarbij wordt aangesloten bij een gemiddelde verdeling van het vermogen (de ‘vermogensmix’) alsook de gemiddelde gerealiseerde rendementen op die betreffende vermogensbestanddelen in de voorgaande jaren. De wetgever hanteert zodoende een wettelijk vastgelegd fictief rendement waarbij de werkelijke samenstelling van het vermogen van de belastingplichtige en de daadwerkelijk gerealiseerde rendementen geen rol spelen.

Door deze wetswijziging in 2017 is het forfaitaire stelsel verder af komen te staan van een belastingheffing over het daadwerkelijk genoten inkomen. In de praktijk blijkt ook dat het gehanteerde fictieve rendement in bepaalde gevallen (fors) hoger is dan het daadwerkelijk gerealiseerde rendement.

Oordeel Hoge Raad

De Hoge Raad oordeelt dat de sinds 2017 gehanteerde vermogensmix in strijd is met het recht op het ongestoord genot van eigendom en het gelijkheidsbeginsel en dat daarvoor geen toereikende rechtvaardigingsgrond is aan te wijzen. Daarmee wordt het eerdere advies van advocaat-generaal Niessen overgenomen. Er wordt binnen het gehanteerde stelsel verhoudingsgewijs een zware financiële last verbonden aan de keuze om niet risicovol te beleggen (maar te sparen). Ook worden beleggers die met tegenvallende resultaten worden geconfronteerd relatief zwaar belast. Er bestaat volgens de Hoge Raad geen redelijke verhouding tussen de belangen die de wetgever heeft willen dienen met dit stelsel en de ongelijkheid die wordt veroorzaakt door de vormgeving die de wetgever heeft gekozen voor de verwezenlijking van dat doel. Het box 3-stelsel kan de proportionaliteitstoets derhalve niet doorstaan.

De Hoge Raad biedt in de betreffende zaak rechtsherstel. Dit betekent dat niet het fictieve maar alleen het werkelijke rendement van belanghebbende in de heffing wordt betrokken. Dit is bijzonder omdat de Hoge Raad voor het eerst aldus beslist in relatie tot box 3. Dit kan in bepaalde gevallen tot een (aanmerkelijk) lagere box 3-heffing leiden.

Gevolgen voor de praktijk

Het oordeel van de Hoge Raad lijkt in beginsel alleen (positieve) gevolgen te hebben voor de belastingplichtigen die een passend bezwaar hebben aangetekend tegen de aanslag inkomstenbelasting 2017 en/of 2018. Het ministerie van Financiën heeft inmiddels laten weten dat nog beoordeeld dient te worden of het arrest ook gevolgen heeft voor belastingplichtigen die geen bezwaar hebben gemaakt.

Was uw fictieve box 3-inkomen in de jaren 2017 en 2018 hoger dan het daadwerkelijk gerealiseerde rendement (doordat u voornamelijk spaarvermogen aanhield of tegenvallende beleggingsresultaten behaalde)? Dan zou dit oordeel mogelijk ook gevolgen voor u kunnen hebben.

Uit het recente coalitieakkoord blijkt overigens dat het nieuwe kabinet voornemens is om het huidige box 3-stelsel te wijzigen en grotendeels af wil van het forfaitair belasten van vermogen. Het is nog onduidelijk of dit voornemen door dit arrest van de Hoge Raad met grotere spoed dan initieel bedacht zal worden uitgevoerd.  

Meer informatie?

Mocht u naar aanleiding van het lezen van deze nieuwsbrief vragen hebben, neem dan contact op met uw vaste RSM-adviseur.