Netherlands
Talen

Talen

Online verkopen en toekomstige btw-wetgeving

De verkoop van allerhande producten via het internet is de laatste jaren explosief gestegen. Terwijl de online verkoop in de beginjaren hoofdzakelijk nog uit boeken bestond, is tegenwoordig vrijwel alles via internet te bestellen. Een winkel die met zijn verkopen de hele wereld beslaat doet daarmee de vraag oproepen waar over deze verkopen btw verschuldigd is, het land van de verkoper, van waaruit de goederen worden verzonden (magazijn) of het land van de afnemer (waar deze de goederen ontvangt). In dit artikel zal worden ingezoomd op de huidige wetgeving rondom de verkoop van goederen aan particulieren via internet, de problemen die zich daarbij voor kunnen doen, alsmede de wijzigingen die op dit gebied met ingang van 1 januari 2021 in werking treden.

EU-verkopen van goederen, de regeling Afstandsverkopen

De intra-EU levering van goederen aan particulieren is in beginsel belast in het land waar vanuit de goederen door de leverancier worden verzonden. Pas wanneer de verkoop van goederen aan particulieren in een bepaald EU-land de nationale drempel heeft overschreden is vanaf dat moment btw verschuldigd in het land van de afnemer. Deze drempels verschillen per EU lidstaat en afhankelijk van de lidstaat geldt een drempel die ligt tussen de € 35.000 en € 100.000 (exclusief btw). Daarnaast is het voor leveranciers echter ook mogelijk om zich al eerder, vrijwillig, te registreren in de EU-lidstaat van de afnemer wanneer men met de verkopen aan particulieren in die lidstaat nog onder de drempel blijft. Deze keuze geldt dan wel voor minimaal twee jaar. Indien het btw-tarief in de lidstaat van de afnemer aanzienlijk lager is, kan dit voordelig zijn, omdat daarmee bij een gelijke verkoopprijs de eigen marge toeneemt. Een btw-registratie in aan andere EU-lidstaat, al dan niet vrijwillig, is echter een complexe aangelegenheid en in veel gevallen kostbaar. Daarnaast kan er onduidelijkheid bestaan of de omzet in het eigen land of een andere EU-lidstaat moet worden aangegeven.

Drempel bepaling

Deze onduidelijkheid heeft in de eerste plaats betrekking op de vraag in hoeverre de drempel per lidstaat moet worden bepaald wanneer dezelfde leverancier vanuit meerdere lidstaten zijn goederen naar een EU-lidstaat van zijn afnemers verzendt. Over het algemeen bestaat de opvatting dat de overschrijding van de drempel van een EU-lidstaat bepaald moet worden aan de hand van een totaalbenadering. Daarbij wordt - ongeacht de plaats van de fysieke verzending van de goederen - de totale omzet aan particulieren in het bestemmingsland bepalend geacht.

Wijzigingen in de regeling Afstandsverkopen per 1 januari 2021

Deze onduidelijkheid zal per 1 januari 2021 worden weggenomen en de totaalbenadering zal dan wettelijk worden geïmplementeerd.1

Vervoer, door of voor rekening van de leverancier

Naast de hiervoor genoemde onduidelijkheid over de drempeltoepassing zijn afstandsverkopen ook veelal onderwerp van juridische procedures. Op dit moment liggen diverse vragen voor bij het Hof van Justitie over de toepassing en reikwijdte van de regels voor afstandsverkopen.2 In de zaken Krakvet en Healthspan doet het risico van dubbele heffing zich voor. In de zaak Krakvet was sprake van een leverancier die na afstemming met de Belastingdienst in het bestemmingsland, ook door de Belastingdienst in zijn eigen lidstaat geacht werd btw verschuldigd te zijn over dezelfde levering. De achtergrond van de discussie bestond uit de vraag hoe de verzending "door of voor rekening van de leverancier" moet worden uitgelegd. Van een afstandsverkoop is op grond van artikel 33 van de Btw Richtlijn 2006/112/EG immers alleen sprake indien het gaat om de levering van goederen die door of voor rekening van de leverancier worden verzonden of vervoerd vanuit een andere lidstaat dan die van aankomst van de verzending of het vervoer aan een niet-belastingplichtige.3 In de zaak Krakvet had de Poolse leverancier de koper de mogelijkheid geboden om een overeenkomst te sluiten met een logistieke onderneming waarmee de leverancier samenwerkte in het kader van diverse verkooptransacties naar Hongarije. De koper kon echter ook vrij kiezen voor een andere vervoerder dan de voorgestelde en daarmee zonder tussenkomst van de leverancier een vervoersovereenkomst sluiten.

In de zaak Healthspan werden receptvrije gezondheidsproducenten vanuit een magazijn in Nederland naar particulieren in het Verenigd Koninkrijk verzonden. De klanten hadden afzonderlijk een overeenkomst gesloten met een ander bedrijf handelend onder de naam PostDirect voor de bezorging van de goederen. Healthspan nam het standpunt in dat PostDirect handelde voor rekening van de particulieren en dat de goederen daarom niet belast waren in het Verenigd Koninkrijk.

Wijzigingen in de regeling Afstandsverkopen per 1 januari 2021, fictie t.a.v. vervoer

Ongeacht het antwoord dat het Hof van Justitie zal geven in deze twee zaken, zal aan de onduidelijkheid over de toerekening van het vervoer per 1 januari 2021 een einde komen.

De nieuwe bepaling zal alsdan als volgt luiden:

"Intracommunautaire afstandsverkopen van goederen": de leveringen van goederen die worden verzonden of vervoerd door of voor rekening van de leverancier, ook wanneer de leverancier indirect tussenkomt bij het vervoer of de verzending van de goederen, vanuit een andere lidstaat dan die van aankomst van de verzending of het vervoer van de goederen naar de afnemer, ...."4

Goederen zullen geacht te zijn verzonden of getransporteerd door of voor rekening van de leverancier - inclusief indirecte tussenkomst - in de volgende situaties:

  1. het transport wordt door de leverancier uitbesteed aan een derde die de goederen bij de consument aflevert;
  2. het transport wordt verstrekt door een derde, maar de leverancier draagt de gehele of gedeeltelijke verantwoordelijkheid voor het transport;
  3. de leverancier factureert en incasseert de bezorgkosten van de consument en betaalt deze door aan een derde die het vervoer van de goederen regelt of
  4. de leverancier prijst de bezorgdiensten van een derde op welke manier dan ook aan; brengt de consument en de derde met elkaar in contact; of verstrekt de derde op een andere manier de informatie die noodzakelijk is om de goederen bij de consument te bezorgen.5

Overige wijzigingen per 1 januari 2021

Naast de hiervoor genoemde verduidelijking van de drempel per lidstaat en de nadere uitwerking met betrekking tot de reikwijdte van het vervoer door de leverancier, zal de implementatie van de zogenoemde OSS-aangifte (One-Stop-Shop) een groot voordeel bieden voor online verkopers voor goederen.

Online verkopers van elektronische diensten, zoals muziek downloads en e-books, gevestigd binnen de EU, hadden deze mogelijkheid al vanaf 1 januari 2015 via de zogenoemde MOSS-regeling (Mini-One-Stop-Shop). Vanaf dat moment worden elektronische diensten geacht te zijn geleverd in het land van de afnemer. Deze MOSS-regeling biedt een tegemoetkoming in de administratieve lasten aan leveranciers van elektronische diensten, door deze de mogelijkheid te bieden in hun eigen EU-lidstaat de verschuldigde btw in andere EU-lidstaten op een aangifte te rapporteren.

De online verkoper van goederen dient zich onder de huidige regelgeving meteen te registeren voor btw-doeleinden in het land van bestemming vanaf het moment dat hij de verkoopdrempel van dat land heeft overschreden. In het ergste geval zal naast de btw-registratie in het eigen vestigingsland daarom op dit moment nog een btw-registratie in 27 andere EU-lidstaten noodzakelijk zijn inclusief de daarbij behorende aangiften. De kosten van deze aangifteverplichtingen kunnen gemiddeld al snel oplopen tot € 8.000 per jaar, waarmee de behaalde marge op de online verkopen in sommige gevallen als sneeuw voor de zon verdwijnt. Een administratieve rompslomp welke met de zogenoemde OSS-regeling (deels) van tafel is, doordat de online verkoper vanuit zijn eigen lidstaat de omzet in de andere lidstaten via één enkele aangifte (de OSS-aangifte) kan voldoen. Volgens de Europese Commissie zullen hier EU-breed bezien naar schatting zo'n 430.000 ondernemingen baat bij hebben, met een kostenbesparing van circa € 860 miljoen. Een kanttekening is op zijn plaats omdat de belastingplichtige nog steeds rekening zal moeten houden met de verschillende btw-tarieven in de andere lidstaten en zijn prijzen hier online op aan zal moeten passen. Een tweede opmerking betreft het verschil in drempels; per 1 januari 2021 komen de verschillende nationale drempels te vervallen en geldt dat alle verkopen in de EU buiten de lidstaat van de belastingplichtige boven € 10.000 belast zullen zijn in het land van de afnemer.

Online platforms, non-EU leveranciers en non-EU goederen

Ook de buiten de EU gevestigde online verkoper ontkomt niet aan nieuwe wetgeving.

Op dit moment worden zijn online verkopen aan binnen de EU woonachtige particulieren tot een waarde van € 22 nog vrijgesteld van btw. Dit creëert toenemende oneerlijke concurrentie tussen buiten en binnen de EU gevestigde ondernemers. De vrijstelling bij invoer van kleine zendingen tot de genoemde waarde van € 22 zal daarom komen te vervallen per 1 januari 2021.

Daarnaast moet extra aandacht worden besteed aan de rol van de platforms die online verkopen faciliteren. Wanneer platforms als tussenpersoon fungeren en handelen op naam en voor rekening van een derde, zijn deze platforms niet betrokken in de verkoopketen van het goed, maar ontvangen zij in de meeste gevallen een afzonderlijke provisie voor het beschikbaar maken van de digitale verkoopruimte. Dit beschikbaar maken kwalificeert doorgaans als een elektronische dienst.

Onder de nieuwe regelgeving dienen de exploitanten van platforms er echter rekening mee te houden dat zij voor de heffing van btw in de verkoopketen betrokken zullen worden en aldus aansprakelijk kunnen worden gehouden voor de voldoening van btw op de verkopen die een ander, te weten de leverancier van de goederen, via het platform realiseert. De nieuwe regels schrijven namelijk voor dat het platform bij fictie wordt geacht de goederen te hebben geleverd, wanneer deze door een niet in een EU-lidstaat gevestigde belastingplichtige zijn geleverd, ongeacht de herkomst van de goederen.6

Wanneer goederen met een intrinsieke waarde van niet meer dan € 150 door een belastingplichtige worden ingevoerd via het gebruik van een platform vanuit een derde land (lees: niet-EU lidstaat), wordt het platform eveneens zelf geacht de goederen te hebben ontvangen en geleverd. Boven de € 150 is de fictie als zodanig niet van toepassing bij goederen vanuit een derde landsgebied.

Hoe dienen online platforms hiermee om te gaan en welke risico's dienen nu al in kaart te worden gebracht?

Dat deze bepaling nauwlettend in de gaten moet worden gehouden blijkt wel uit de mogelijke praktische problemen die zich hierbij voor kunnen doen. Ten eerste zal de verkoper de overeenkomst met de consument hebben gesloten voor de verkoop van de goederen. Wanneer het platform aansprakelijk is voor de voldoening van btw, zal zij ook over alle relevante gegevens moeten beschikken om correct aangifte te kunnen doen. Zo moet het platform beschikken over de naam- en adresgegevens van de verkoper, de herkomst, omschrijving, hoeveelheid en waarde van de goederen alsmede het moment en plaats van levering. De boekhouding met deze gegevens kent een bewaartermijn van tien jaar, in tegenstelling tot de gebruikelijke bewaartermijn in Nederland van zeven jaar. Ten tweede bestaat het risico op niet-betaling door de consument. Wanneer het platform zelf over een betalingsfaciliteit beschikt, zal in de meeste gevallen de betaling geen probleem zijn, maar in de situatie waarin een platform veel meer fungeert als een advertentiepagina op internet waar koper en verkoper samenkomen en het platform alleen de levering faciliteert, kan ook sprake zijn van een platform binnen de reikwijdte van de nieuwe regels. De platforms zullen dan op een andere manier moeten waarborgen dat zij de verschuldigde btw ontvangen van de verzender van de goederen, dan wel zullen zij dit rechtstreeks bij de ontvanger van de goederen moeten incasseren. De verwachting is dat platforms, voor zover nog niet het geval op dit moment, een strengere hand in het betalingsproces zullen krijgen.

Vooraf is het noodzakelijk vast te stellen of het platform überhaupt binnen de reikwijdte van de nieuwe fictie zal vallen. De nog te implementeren uitvoeringsverordening zal hier aanvullende duidelijkheid in moeten brengen.7 Er zijn door de Europese Commissie alternatieven voorgesteld, te weten een ruime definitie van het begrip faciliteren (met daarbij een opsomming van activiteiten die er niet onder vallen), dan wel de optie waarbij een positieve lijst met activiteiten wordt benoemd die onder het platform begrip zullen vallen. Ook is een lijst van indicatoren opgesteld die er op zouden kunnen duiden dat het platform onderdeel is geworden van de verkoopketen.

Vooralsnog is de veronderstelde levering van goederen door het platform uitsluitend van toepassing wanneer het platform de levering daadwerkelijk faciliteert. Er is sprake van een faciliterende rol wanneer dat platform het mogelijk maakt om een verkoper en koper met elkaar in contact te laten komen resulterend in de verkoop van goederen via dat platform.

Er is geen sprake van faciliteren indien voldaan wordt aan de volgende drie cumulatieve voorwaarden8:

  1. het platform stelt de algemene voorwaarden waaronder de goederen verkocht worden niet vast;
  2. het platform is niet betrokken bij de gedane betaling door de klant en
  3. het platform is niet betrokken bij de bestelling of bezorging van de goederen.

Indien sprake is van het verzorgen van betalingsdiensten met betrekking tot de verzonden goederen; het adverteren van goederen of het door leiden van klanten naar andere internetpagina's waar goederen worden aangeboden zonder bemoeienis bij de levering is geen sprake van faciliteren.

Is er nog een ontsnapping mogelijk voor platforms die ten onrechte aansprakelijk worden gesteld voor de verschuldigdheid van btw die mogelijk te weinig door hen is voldaan? Hier zal de nieuwe wetgeving inderdaad in voorzien. Het platform zal niet aansprakelijk zijn voor de betaling van btw indien het afhankelijk is van de informatie die verstrekt wordt door de leverancier die de goederen via het platform verkoopt of andere derden; de door het platform ontvangen informatie blijkt onjuist te zijn én het platform kan aantonen dat het niet bekend was of kon zijn met het feit dat de verstrekte informatie onjuist was.

In het voorbeeld dat een platform voor een niet in de EU gevestigde ondernemer de verkoop van goederen faciliteert aan een particulier in Denemarken, waarbij een btw-tarief van 20% wordt gehanteerd, zal het platform zich waarschijnlijk niet met succes volledig kunnen beroepen op de hiervoor besproken uitzondering, nu het bekend had kunnen zijn met een btw-tarief in Denemarken van 25% in plaats van 20%. Dit betekent dat het platform aanvullend een naheffing zal kunnen krijgen van 5% over de in Denemarken verschuldigde omzet (aangevuld met mogelijke rente en boeten).

Conclusie

In dit artikel zijn de komende wijzigingen per 1 januari 2021 op het gebied van online verkopen van goederen aan particulieren beschreven. Indien een onderneming zelf online goederen verkoopt via het internet, zullen de wijzigingen in veel gevallen een aanzienlijke verbetering met zich mee brengen, doordat er een eenduidige drempel komt en makkelijker aangifte gedaan zal kunnen worden in alle EU lidstaten via de OSS-regeling.

Op grond van de (Nederlandse) commissionairsfictie worden op dit moment bij fictie goederen alleen geacht door een tussenpersoon te zijn geleverd wanneer deze ondernemer op eigen naam overeenkomsten sluit, maar dit doet op order en voor rekening van een ander.9 Met de inwerkingtreding van de specifieke fictie voor platforms bij verkopen door niet in de EU-gevestigde ondernemers of van buiten de EU afkomstige goederen, wordt het platform aansprakelijk gehouden voor de verschuldigde btw op die verkopen aan EU-particulieren. Het maakt daarbij niet uit of het platform op eigen naam handelt of niet.

Voor de ondernemers die zelf een platform ter beschikking stellen wordt het daarom zaak om goed in de gaten te houden welke risico's het loopt om te voorkomen dat het platform aansprakelijk wordt voor de btw op de verkopen van de leverancier.

Noten:

  1. Per 1 januari 2021 spreekt artikel 33 Btw-Richtlijn 2006/112/EG over "intracommunautaire afstandsverkopen" in het algemeen en knoopt niet meer aan bij "een andere lidstaat van verzending".
  2. Prejudiciële vragen EU Hof van Justitie (C-276/18 KrakVet Marek Batko sp, 17 augustus 2018 en C-703/18 Healthspan, 4 januari 2019).
  3. Artikel 5a Wet op de omzetbelasting 1968.
  4. Per 1 januari 2021: artikel 14, lid 4 Btw-Richtlijn 2006/112/EG.
  5. Per 1 januari 2021: concept voorstel artikel 5a, Uitvoeringsverordening EU nr. 282/2011.
  6. Per 1 januari 2021: artikel 14bis, lid 2 Btw-Richtlijn 2006/112/EG.
  7. Taxud.c.1(2018)3684189 - Group on the Future of VAT GFV No 076, punt 3.1, 13 juni 2018.
  8. Per 1 januari 2021: concept voorstel artikel 5b, Uitvoeringsverordening EU nr. 282/2011.
  9. Artikel 3, lid 6 Wet op de omzetbelasting 1968.

Auteur: Liesbeth de Groot LLM, RSM Netherlands Belastingadviseurs N.V.
Dit artikel is eerder geplaatst in Fiscaal Praktijkblad, editie 07-2019