Netherlands
Talen

Talen

Transacties tussen hoofdhuis en vaste inrichting belastbaar voor de omzetbelasting door aanwezigheid fiscale eenheid

Op 11 maart 2021 deed het Europese Hof van Justitie (hierna: HvJ) uitspraak in de zaak Danske Bank (11 maart 2021 Danske Bank C-812/19). In deze zaak staat de vraag centraal of de dienstverlening door een Deens hoofdhuis aan zijn vaste inrichting in Zweden belast is met omzetbelasting. Het Deense hoofdhuis maakte onderdeel uit van een fiscale eenheid in Denemarken. De impact van het arrest Danske Bank kan in bepaalde situaties groot zijn voor de btw-behandeling van dienstverlening binnen concerns. Dit geldt in het bijzonder wanneer de betreffende entiteit geen (volledig) recht op aftrek van voorbelasting heeft.

Skandia

Alvorens in te gaan op het arrest Danske Bank bespreken wij kort een vergelijkbaar arrest uit 2014 van Skandia America Corporation (hierna: Skandia). Hierin werd het volgende bepaald:

  • Diensten verricht door een hoofdhuis (in een land buiten de EU) aan een vaste inrichting (in een EU lidstaat, die onderdeel uitmaakt van een fiscale eenheid omzetbelasting in deze EU lidstaat), leiden tot belastbare handelingen voor de btw.
  • De (hoofdregel-)diensten zijn belast daar waar de afnemer (fiscale eenheid) is gevestigd en de btw is aldaar verschuldigd op basis van de verleggingsregeling.

De fiscale eenheid waar de vaste inrichting onderdeel van uitmaakt wordt gezien als een andere belastingplichtige, welke losstaat van het hoofdhuis in het land buiten de EU. Het bijzondere van dit arrest was dat ondanks dat geen sprake is van een juridisch zelfstandige entiteit er alsnog sprake is van twee zelfstandige belastingplichtigen en onderlinge transacties tussen beide derhalve onderworpen zijn aan de omzetbelasting. Dat zou niet het geval zijn geweest indien de vaste inrichting geen onderdeel was van een fiscale eenheid omzetbelasting (HvJ 23 maart 2006, FCE Bank).

Ondanks het Skandia-arrest is er onzekerheid gebleven over de belastbaarheid van dienstverlening tussen een hoofdhuis en een vaste inrichting waar één van de twee onderdelen in een fiscale eenheid is opgenomen. Over deze problematiek is nu ook het arrest Danske Bank gewezen.

Danske Bank

Danske Bank is een Deense vennootschap met een hoofdkantoor in Denemarken. Danske Bank verricht activiteiten in Zweden via een aldaar gevestigde vaste inrichting. Het hoofdhuis van Danske Bank maakt onderdeel uit van een fiscale eenheid in Denemarken. De Zweedse vaste inrichting maakt geen deel uit van een fiscale eenheid. 

Danske Bank maakt voor haar activiteiten gebruik van een IT-platform. Dit platform wordt grotendeels voor alle vaste inrichtingen van het hoofdhuis gebruikt. Voor het gebruik van het platform worden kosten toegerekend door het Deense hoofdhuis aan de vaste inrichting in Zweden. Aan het HvJ is de vraag gesteld of een Zweedse vaste inrichting (welke geen onderdeel is van een fiscale eenheid) als een zelfstandige belastingplichtige dient te worden geïdentificeerd, wanneer het Deense hoofdhuis -dat wel onderdeel is van een fiscale eenheid in Denemarken - kosten toerekent aan haar vaste inrichting in Zweden.

Het HvJ heeft geoordeeld dat een hoofdhuis van een vennootschap die deel uitmaakt van een fiscale eenheid in een EU-lidstaat en een in een andere EU-lidstaat gevestigde vaste inrichting van diezelfde vennootschap aangemerkt moeten worden als twee los staande zelfstandige belastingplichtigen, wanneer dat hoofdhuis ten behoeve van de vaste inrichting diensten verricht en de kosten daarvan toerekent aan deze vaste inrichting.

Impact voor de praktijk

In Nederland volgde uit eerdere rechtspraak (Hoge Raad 14 juni 2002) dat diensten die verricht worden tussen een buitenlands hoofdhuis en een in Nederland gevestigde vaste inrichting, in Nederland buiten het bereik van de btw-heffing blijven, ongeacht of een dan wel beide onderdelen deel uitmaken van de een fiscale eenheid. Het Ministerie van Financiën heeft besloten dat op basis van het Skandia-arrest dit niet verandert, aangezien een Nederlandse vaste inrichting niet los van het buitenlandse hoofdhuis in een Nederlandse fiscale eenheid opgenomen kan zijn. Op basis van het Danske Bank arrest kan echter opgemaakt worden dat de huidige Nederlandse praktijk mogelijk onhoudbaar is, ondanks dat het de omgekeerde situatie betreft. Het is echter nog niet bekend of het recent gewijzigde besluit van de Staatsecretaris wederom aangepast gaat worden naar aanleiding van deze uitspraak.

Het gevolg van het Danske Bank-arrest lijkt te zijn dat alle dienstverlening tussen vestigingen van eenzelfde juridische entiteit in de btw-heffing wordt getrokken als ten minste één van de onderdelen deel uitmaakt van een fiscale eenheid omzetbelasting in een andere jurisdictie en betrokken is bij deze dienstverlening. Indien geen volledig recht op aftrek bestaat bij de afnemer van de diensten kan dat ongunstige gevolgen hebben doordat de omzetbelasting in dergelijke situaties kostenverhogend zal werken.

Daarbij kan afgevraagd worden of de grensoverschrijdende pro rata methode zoals deze is vastgesteld door het HvJ in de zaak Morgan Stanley & Co (24 januari 2019, Morgan Stanley & Co International) in situaties zoals in Danske Bank nog toepassing kan vinden, nu het hoofdhuis en de vaste inrichting niet langer aangemerkt worden als een enkele belastingplichtige indien er een fiscale eenheid in het spel is.

Meer informatie

Mocht u vragen hebben over de mogelijke impact van het Danske Bank-arrest, neemt u dan contact op met uw RSM-adviseur. 

20210316_cover nieuwsbrief.jpg

Download 'Transacties tussen hoofdhuis en vaste inrichting belastbaar voor de omzetbelasting door aanwezigheid fiscale eenheid' in pdf.