“Vermogensmix” box 3 mogelijk in strijd met het recht van eigendom en het gelijkheidsbeginsel in het EVRM

Op 1 november jl. heeft advocaat-generaal Niessen in zijn advies aan de Hoge Raad gesteld dat de rechter kan en zelfs moet voorzien in het rechtstekort dat ontstaat als gevolg van het belasten van vermogen op basis van een veronderstelde verdeling tussen spaar- en overig beleggingsvermogen (de zogenoemde “vermogensmix”) in box 3. De wetgever hanteert momenteel als uitgangspunt dat de te belasten (fictieve) rendementen op het vermogen afhankelijk zijn van de grootte van het vermogen. Hoe groter de bezittingen, hoe groter het beleggingsdeel daarvan en daarmee de rendementen die gerealiseerd kunnen worden. De gehanteerde vermogensmix is juridisch onhoudbaar, aldus de advocaat-generaal. Meer in het bijzonder zou het huidige systeem op stelselniveau in strijd zijn met het recht van eigendom en het gelijkheidsbeginsel in het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM). Om die reden zou de vermogensmix niet mogen worden toegepast, zo luidt het advies. Voor zover de vermogensmix buiten toepassing blijft, mag en kan de huidige box 3-regeling in stand blijven. Voor de twee verschillende soorten vermogen, te weten het spaargeld en het overige vermogen, dient de wet afzonderlijk te voorzien in een bepaling op basis waarvan het rendement kan worden vastgesteld.

Tot het jaar 2017 werd de grondslag binnen box 3 bepaald aan de hand van een vast fictief rendement van 4%. Op enig moment bleek dat dit rendement niet voor iedere vermogensbezitter haalbaar was zodat er een wetswijziging plaatsvond waarmee werd beoogd meer aan te sluiten bij de realiteit. Vanaf 2017 wordt een systematiek voor de grondslagbepaling in box 3 gehanteerd waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen het fictieve rendement op spaargeld enerzijds en beleggingen anderzijds. Daarbij wordt verondersteld dat het rendement dat behaald wordt met spaarvermogen lager is dan met beleggingsvermogen. Op basis van staffels, waarbij het veronderstelde beleggingsdeel van het vermogen (en daarmee het fictieve rendement) toeneemt naarmate het vermogen groter wordt, worden de bezittingen van de belastingplichtige aan belastingheffing in box 3 onderworpen.

Wij merken op dat het hier slechts om een advies gaat waarbij de advocaat-generaal de rechter maant om in actie te komen. Dit advies heeft derhalve nog geen direct effect op uw belastingpositie. Dit zou wel het geval kunnen zijn indien het oordeel van de Hoge Raad gelijkluidend is aan het advies van de advocaat-generaal. In verreweg de meeste recente procedures omtrent de heffing over fictieve rendementen in box 3 trekt de belastingplichtige aan het kortste eind (tenzij kan worden aangetoond dat sprake is van een individuele buitensporige last). We zien het arrest van de Hoge Raad dan ook met grote belangstelling tegemoet.

Mocht u naar aanleiding van het lezen van deze nieuwsbrief vragen hebben, neem dan contact op met uw RSM-adviseur.