Op 15 januari 2026 heeft de Kennisgroep van de Belastingdienst een standpunt gepubliceerd over het genietingsmoment van rente- en huurtermijnen voor de bepaling van het werkelijk rendement in box 3 in overlijdenssituaties. Ook heeft de kennisgroep in een eerder gepubliceerd standpunt verduidelijkt hoe het werkelijk rendement in het jaar van overlijden van een persoon verdeeld dient te worden tussen de overledene en de erfgenamen.
Hoe zat het ook alweer? En voor wie is de tegenbewijsregeling interessant?
Sinds de zomer van 2025 kan onder voorwaarden met de tegenbewijsregeling box 3 het (lagere) werkelijk rendement van het box 3 vermogen worden doorgegeven. Dat kan soms tot een aanzienlijke besparing van box 3 belasting leiden.
De tegenbewijsregeling is in zijn algemeenheid interessant voor de jaren waarin het vermogen in waarde is gedaald. Wanneer uw vermogen in 2022 bijvoorbeeld voornamelijk uit effecten bestond, zou het zinvol kunnen zijn om het werkelijk rendement te (laten) berekenen. Gemiddeld gezien was 2022 namelijk een slecht beursjaar.
Hierbij merken wij op dat het gebruik van de tegenbewijsregeling in veel gevallen niet interessant zal zijn, omdat gekeken moet worden naar het rendement op het totale vermogen in box 3. Denk hierbij bijvoorbeeld aan waardestijgingen van vastgoed en effecten, maar ook huurinkomsten, rente en dividend. Bovendien wordt geen rekening gehouden met kosten (behalve rente van box 3-schulden). Ook bevat de tegenbewijsregeling een ingewikkelde systematiek die een vermogensaanwas combineert met reguliere inkomsten. Dat maakt het berekenen van het werkelijk rendement ook in doorsnee gevallen complex en kostbaar.
Overlijden: wie geniet fiscaal het rendement?
Ook over een jaar waarin iemand komt te overlijden kan de tegenbewijsregeling worden ingeroepen. Maar wie geniet in dat jaar het werkelijk rendement op het vererfde vermogen: welk deel komt voor de tegenbewijsregeling toe aan de erflater en welk deel aan de erfgenamen?
Volgens de Kennisgroep van de Belastingdienst (KG:202:2025:11) hoeft voor het bepalen van het werkelijk rendement van de overledene enkel rekening worden gehouden met de bezittingen en schulden in de periode van 1 januari tot en met de overlijdensdatum. Het werkelijk rendement behoort vanaf de overlijdensdatum toe aan de erfgenamen.
Genietingsmoment rente- en huurtermijnen
De vervolgvraag is dan hoe moet worden omgegaan met reguliere voordelen zoals rente- en huurtermijnen die worden ontvangen in de periode ná overlijden, maar betrekking hebben op de periode vóór het overlijden (en andersom):
Voorbeeld
Henk overlijdt op 1 oktober 2025. Tot zijn vermogen behoorden een bank- en spaarrekening waarover rente wordt vergoed en een box 3-woning die wordt verhuurd. De rente wordt pas op de eerste werkdag van 2026 bijgeschreven op de bankrekening, maar heeft een rentedatum van 31 december 2025. De huurtermijnen van de box 3-woning worden steeds ontvangen voorafgaand aan de maand waarop de huur betrekking heeft. De huur van oktober 2025 wordt dus in september 2025 ontvangen. Henks erfgenamen maken zowel voor zichzelf als namens de overledene gebruik van de tegenbewijsregeling box 3 voor 2025.
Behoren de rente- en huurtermijnen tot het werkelijk rendement van de overledene of van de erfgenamen?
Visie kennisgroep Belastingdienst:
Volgens de kennisgroep wordt de huur die betrekking heeft op de periode na het overlijden van overledene, maar nog door de overledene is ontvangen, als werkelijk rendement van de overledene aangemerkt.
De opgebouwde rente op de banktegoeden behoort volgens de kennisgroep niet tot het werkelijk rendement van de overledene. In plaats daarvan wordt de opgebouwde rente van het betreffende jaar bij de erfgenamen in aanmerking genomen wanneer de rentedatum op 31 december ligt. Het gaat dan om rente die is opgebouwd vóór en na het overlijden van de erflater. Dit omdat de rente pas na het overlijden is ontvangen.
Tussen wal en schip?
De erfgenamen kunnen er ook voor kiezen om voor zichzelf geen gebruik te maken van de tegenbewijsregeling. Wanneer namens de overledene vervolgens wel gebruik gemaakt wordt van de tegenbewijsregeling, dan valt de opgebouwde rente mogelijk tussen wal en schip. Deze rente behoort immers niet tot het werkelijk rendement van de overledene en de erfgenamen worden belast op basis van het forfaitair rendement.
Tot slot
Wilt u weten of de tegenbewijsregeling box 3 voor u interessant is, heeft u hulp nodig bij het invullen van de formulieren of heeft u hier vragen over? Neemt u dan contact op met uw RSM-adviseur. Wij helpen u hier graag bij.