De Hoge Raad heeft op 16 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:60, duidelijkheid gegeven over de toepassing van artikel 10a Wet Vpb, naar aanleiding van een eerdere uitspraak van het Europees Hof van Justitie (HvJ EU) op 4 oktober 2024.
De centrale vraag die hier speelde, was of de renteaftrekbeperking van artikel 10a Wet op de vennootschapsbelasting in overeenstemming is met het Unierecht. De Hoge Raad komt tot de conclusie dat dit onder omstandigheden het geval is.
Achtergrond
In zijn arrest van 2 september 2022 (ECLI:NL:HR:2022:1121) stelde de Hoge Raad prejudiciële vragen aan het HvJ EU. Deze vragen gingen over de omstandigheden waarin een lening tussen gelieerde partijen moet worden aangemerkt als (een onderdeel van) een kunstmatige constructie.
Arrest X BV
In het arrest X BV ging het HvJ EU in op de vraag of het proportioneel is om renteaftrek voor een lening tussen gelieerde partijen volledig te weigeren wanneer de rente zelf niet ongebruikelijk hoog is, en de lening onderdeel is van een volledig kunstmatige constructie.
Volgens het HvJ EU is de beperking van de renteaftrek op grond van artikel 10a Vpb met betrekking tot een lening tussen gelieerde partijen toegestaan in het Unierecht als, kort gezegd: de lening geen enkele economische rechtvaardiging heeft, de lening niet zou zijn verstrekt zonder de verbondenheid tussen de betrokken partijen, en de lening is aangegaan met als doel een belastingvoordeel te behalen via de renteaftrek.
Deze beantwoording leidde wel weer tot vervolgvragen, zoals heeft het HvJ EU nu bedoeld dat aan drie cumulatieve voorwaarden moet worden voldaan om de renteaftrek op een besmette “10a” lening geheel of gedeeltelijk te beperken?
Uitleg door de Hoge Raad
De Hoge Raad verduidelijkt dat het HvJ EU in het arrest X BV heeft bedoeld dat voor het aanmerken van een lening als onderdeel van een kunstmatige constructie doorslaggevend is of geen enkele economische rechtvaardiging aanwezig is voor het verstrekken van de lening.
Als er geen economische redenen zijn voor een lening tussen verbonden partijen, moet deze lening dus worden gezien als een (onderdeel van) een kunstmatige constructie – ongeacht het rentepercentage of andere voorwaarden. De volledige rente wordt dan in aftrek geweigerd.
Spillfunctie
De Hoge Raad verwijst ook nog kort naar zijn arrest van 5 september 2025, waarin werd beoordeeld of de geldverstrekker een "spilfunctie" vervulde, omdat het opnemen van een lening bij een groepsvennootschap, die een spilfunctie vervult, wel een duidelijke economische reden is dat de lening door die vennootschap is verstrekt, ongeacht hoe deze groepsvennootschap de middelen heeft verkregen om de lening te kunnen verstrekken.
In de betreffende zaak was dit niet zo: de Belgische verstrekker van de lening aan de Nederlandse groepsvennootschap fungeerde feitelijk als een doorgeefluik, en had dus geen spilfunctie binnen de groep.
De Hoge Raad concludeert dat het niet in strijd is met het Unierecht om renteaftrek met betrekking tot een lening tussen verbonden partijen volledig te weigeren wanneer:
- de lening geen economische rechtvaardiging heeft,
- deze lening niet zou zijn verstrekt tussen onafhankelijke partijen, en
- met de lening is beoogd om een belastingvoordeel te behalen d.m.v. renteaftrek.
Een goed gedocumenteerde business case en economische argumenten voor een lening tussen verbonden vennootschappen die wordt aangewend voor de aankoop van aandelen in een andere vennootschap is dan ook van groot belang om eventuele discussies met de Belastingdienst over de renteaftrek te vermijden of te beperken.