Netherlands
Talen

Talen

Concept wetsvoorstel excessief lenen bij eigen vennootschap

Op Prinsjesdag is aangekondigd dat leningen van aanmerkelijkbelanghouders bij hun eigen vennootschap boven de
€ 500.000 als dividend belast gaan worden. Deze aankondiging heeft al vele tongen losgemaakt en veel vragen opgeroepen. Op 4 maart jl. is het concept wetsvoorstel Wet excessief lenen bij eigen vennootschap verschenen, waarin de aangekondigde maatregelen nader zijn uitgewerkt. 

Conceptwetsvoorstel

Over het verschenen wetsvoorstel is een internetconsultatie gestart, waarbij een ieder reactie kan geven op het voorstel. Het voorstel is dus nog niet definitief.

Het voorstel houdt in dat, indien een aanmerkelijkbelanghouder aan het einde van het kalenderjaar een schuld aan zijn eigen vennootschap heeft van meer dan € 500.000, het meerdere in aanmerking zal worden genomen als inkomen uit aanmerkelijk belang (een fictieve dividenduitkering). Deze fictieve uitkering is belast in box 2 van de inkomstenbelasting. Het huidige tarief bedraagt 25% en wordt verhoogd tot 26,25% in 2020 en tot 26,9% in 2021.

Doordat aanmerkelijkbelanghouders liquide middelen in de vorm van een lening aan de eigen vennootschap onttrekken in plaats van dividend uit te laten keren of loon te genieten, wordt belastingheffing op dat moment voorkomen. Met de nieuwe maatregel wordt beoogd het langdurig uitstellen (of in sommige gevallen zelfs afstellen) van belastingheffing te voorkomen en de belastingheffing beter aan te laten sluiten bij het moment waarop de aanmerkelijkbelanghouder feitelijk over de gelden beschikt. 

Er wordt voorgesteld de wet per 1 januari 2022 in werking te laten treden. De jaarlijkse peildatum is 31 december, waardoor het bovenmatige deel van de schuld voor het eerst per 31 december 2022 als fictief regulier voordeel (dividenduitkering) wordt belast in box 2. Tot die datum heeft de aanmerkelijkbelanghouder derhalve nog de mogelijkheid om de schulden terug te brengen tot maximaal € 500.000. 

De regeling zal alleen werking hebben in box 2 van de inkomstenbelasting en zal derhalve niet doorwerken in box 1 en box 3 van de inkomstenbelasting of naar de dividendbelasting of vennootschapsbelasting. Ook civielrechtelijk heeft de regeling geen betekenis, waardoor de lening civielrechtelijk blijft bestaan en dus de rente- en aflossingsverplichtingen van kracht blijven.

Welke schulden vallen onder de maatregel?

Voor de bepaling van de hoogte van de schuld moeten alle civielrechtelijke schuldenverhoudingen en verplichtingen voor de nominale waarde worden meegeteld. Zo vallen ook bijgeschreven rente en garantstellingen door de vennootschap onder de regeling. Het is niet relevant of de schulden op zakelijke gronden zijn aangegaan en met welk doel de leningen zijn aangegaan. Vorderingen van de aanmerkelijkbelanghouder op de vennootschap worden niet gesaldeerd met de totale som van de schulden. 

Een uitzondering op de maatregel is de eigenwoningschuld. Als voorwaarde voor de uitzondering van de eigenwoningschuld geldt dat een recht van hypotheek aan de vennootschap is verstrekt. Een positieve/negatieve hypotheekverklaring is niet voldoende. Voor eigenwoningschulden die reeds bestaan op 31 december 2021 geldt deze hypotheekvoorwaarde niet. Leningen verstrekt in verband met financiering van bijvoorbeeld beleggingsonroerend goed, al dan niet verzekerd met een recht van hypotheek vallen niet onder de uitzondering.

Niet alleen de schulden van de aanmerkelijkbelanghouder, maar ook die van de partner worden meegenomen voor de grens van € 500.000. Het is daarbij niet relevant of de partner zelf ook aanmerkelijkbelanghouder is. 

Verder vallen ook schulden aangegaan door (klein)kinderen en (groot)ouders van de aanmerkelijkbelanghouder of de partner, die zelf geen aanmerkelijk belang hebben in de vennootschap waarvan zij lenen, onder de maatregel, voor zover zij meer dan
€ 500.000 bedragen. Het deel van de schuld dat de grens van € 500.000 te boven gaat, zal worden toegerekend aan de aanmerkelijkbelanghouder (of in geval van meerdere aanmerkelijkbelanghouders evenredig aan die aanmerkelijkbelanghouders) en bij de aanmerkelijkbelanghouder(s) in aanmerking worden genomen als fictieve uitkering.

Ook het lenen via een derde valt onder de maatregel. Denk hierbij aan situaties waarbij de broer van de aanmerkelijk belanghouder leent van de vennootschap en dit bedrag vervolgens doorleent aan de aanmerkelijkbelanghouder.

(Voorkoming van) dubbele heffing en overgangsregeling

Om dubbele heffing te voorkomen wordt een overgangsregeling voorgesteld om het bedrag dat in 2022 als fictieve uitkering aan de belastingheffing is onderworpen, te verrekenen met het vervreemdingsvoordeel dat in aanmerking wordt genomen bij de toekomstige vervreemding van het aanmerkelijk belang. Vooralsnog geldt deze korting alleen voor het bedrag dat in 2022 als fictieve uitkering is aangemerkt, waardoor met betrekking tot fictieve uitkeringen die in latere jaren worden geconstateerd wel sprake is van dubbele belastingheffing. Immers de lening is reeds in de heffing betrokken als fictieve uitkering en wordt bij een toekomstige (fictieve) vervreemding van de aandelen eveneens in de heffing betrokken, aangezien de lening onderdeel uitmaakt van het vermogen van de vennootschap.

In het conceptwetsvoorstel is niets geregeld voor het geval het bovenmatige deel van de schuld wordt belast en later wordt besloten tot ´echte´ dividenduitkering ter aflossing van de schuld. De dividenduitkering is dan volledig belast, waardoor er in deze situatie eveneens sprake is van dubbele heffing. 

Los van de nieuwe maatregel zal de bestaande rechtspraak inzake (eigenwoning)schulden aan de eigen vennootschap van toepassing blijven. Dit houdt in dat schulden, waarvan vaststaat of vast komt te staan dat zij niet zullen worden afgelost, als verkapte dividenduitkering in box 2 zullen worden belast. Dit geldt voor zowel schulden tot een bedrag van € 500.000 als daarboven. Indien sprake is van zowel een verkapte dividenduitkering als van een bovenmatige schuld, dan wordt dit volgens het conceptwetsvoorstel slechts één keer belast. 

Overigens is opgenomen dat bestaande vaststellingsovereenkomsten met de belastingdienst ten aanzien van schulden tot 
€ 500.000 van kracht blijven. Met betrekking tot vaststellingsovereenkomsten boven dat bedrag zal per geval worden beoordeeld in hoeverre de afspraken in stand kunnen blijven.

Internetconsultatie en reactie RSM

Het conceptwetsvoorstel bevindt zich op dit moment in de consultatiefase. Tot 1 april 2019 is het mogelijk om te reageren op dit concept. RSM gaat een reactie op het voorstel indienen, aangezien er naar onze mening nog veel onduidelijkheden bestaan en het voorstel naar onze mening een te grove uitwerking heeft. 

Zoals uit het voorgaande blijkt, is er op een aantal punten rekening gehouden met het voorkomen van dubbele heffing, maar is dit lang niet in iedere situatie het geval. Dit kan volgens ons niet de bedoeling zijn van de nieuwe maatregel. Daarnaast wordt er in het conceptwetsvoorstel bewust geen tegenbewijsmogelijkheid geboden. Een tegenbewijsregeling lijkt ons echter zeer gewenst, omdat dit aanmerkelijkbelanghouders de mogelijkheid biedt aannemelijk te maken dat de schuld geen winstuitdeling is maar een reële zakelijke lening betreft.

Bovendien zijn er vele situaties denkbaar waarin de voorgestelde maatregel een onredelijke zware uitwerking zal hebben. Denk bijvoorbeeld aan de aanmerkelijkbelanghouder die ruim boven de grens van € 500.000 van zijn vennootschap heeft geleend (op zakelijke gronden) en hiermee in privé gehouden vastgoed heeft gefinancierd. Op grond van het wetsvoorstel dient ineens een bedrag ter grootte van 26,9% van leningen aan belasting te worden afgedragen. De liquiditeiten zijn hier vaak niet voor beschikbaar, aangezien die in het vastgoed zijn geïnvesteerd.

Een andere onredelijke uitwerking betreft bijvoorbeeld het geval waarin de persoonlijke houdstervennootschap van vader de werkmaatschappij heeft verkocht aan de zoon, tegen schuldig blijven van de koopsom. Zoon heeft dan een schuld aan de vennootschap waar zijn vader aanmerkelijkbelanghouder van is. Voor zover de schuld meer dan € 500.000 bedraagt wordt dit bij vader (!) als fictief dividend in aanmerking genomen.

Hoe verder?

Het is waarschijnlijk dat het conceptwetsvoorstel na de internetconsultatie nog op verschillende punten zal worden aangepast en verduidelijkt. Hoe dan ook dient vóór 31 december 2022 actie ondernomen te worden om op dat moment een directe
box 2-heffing te voorkomen. Gezien de stijgende box 2-tarieven kan het raadzaam zijn al in 2019 stappen te nemen om schulden te verminderen. Wij houden u op de hoogte. 

Meer informatie?

Heeft u vragen naar aanleiding van deze nieuwsbrief, neem dan contact op met RSM of uw vaste RSM-adviseur.

cover_20190315_concept_wetsvoorstel_excessief_lenen_bij_eigen_vennootschap.jpg

Download 'Concept wetsvoorstel excessief lenen bij eigen vennootschap' in pdf